5 mei

ds. Wielie Elhorst

Lezingen: Jesaja 45:14-19 en Johannes 15:9-17


Gemeente van Jezus Christus, beste mensen,

‘Naar vriendschap zulk een mateloos verlangen’. Gisteren stond ik tijdens de Dodenherdenking weer in de buurt van deze woorden die in een van de roze granieten hoeken van het Homomonument naast de Westerkerk vereeuwigd zijn. Het is een regel uit een gedicht van Jacob Israël de Haan, die meer dan een eeuw geleden hier in de Pijp in de Sint Willibrordusstraat woonde. Hij raakte nagenoeg alles kwijt, toen hij het waagde een roman te schrijven waarin twee mannen voorkwamen, die overduidelijk van elkaar hielden en daar ook op intieme wijze uitdrukking aan gaven. De dichtregel ‘Naar vriendschap zulk een mateloos verlangen’ komt uit een gedicht dat De Haan aan een jonge visser opdroeg en in wiens ogen hij het genoemde verlangen meende te kunnen zien. In de tijd dat het gedicht werd geschreven, was het enige woord dat de relatie tussen twee mensen van hetzelfde geslacht op serieuze wijze beschreef of definieerde ‘homoseksualiteit’, een medisch-diagnostische term die natuurlijk nauwelijks recht kon doen aan het verlangen van de jonge visser. Er waren natuurlijk nog wel wat andere woorden, maar die waren weinig flatteus en zetten het verlangen vooral weg als afwijking, als zonde of als iets dat te verafschuwen was. Men kwam hoe dan ook niet op het idee betrekkingen tussen mensen van hetzelfde geslacht te vergelijken met relaties zoals die er waren tussen vrouwen en mannen. Het verlangen dat er natuurlijk toch was, bevond zich daarmee in een soort verbaal niemandsland. In die realiteit zonder woorden en zonder bestaan eigende De Haan zich het woord ‘vriendschap’ toe. Hij had, denk ik, geen mooier, geen beter woord kunnen kiezen. Vriendschap is een hoogwaardige relatie waarin twee mensen of een groep mensen in volkomen vrijheid, zonder binding of belang, zonder dwang, voor elkaar kiezen, en niet zelden op een hele duurzame basis. Met het woord ‘vriendschap’ gaf De Haan een onvervreemdbare waarde aan het verlangen van de jonge visser. Het verlangen mocht er zijn. Het hoefde niet onbenoemd, onbestemd en onbemind te blijven – hoe risicovol dat mateloze verlangen naar vriendschap in die tijd ook was.

Vriendschap. Onder de omstandigheden van zijn tijd kan De Haan nooit zomaar voor het woord ‘vriendschap’ hebben gekozen in zijn gedicht. Het kwalificeert niet zomaar een relatie. Waarschijnlijk heeft hij ook wel geweten van de hoge waarde die de tijden door aan deze verbinding tussen mensen is toegekend. In de klassieke oudheid was vriendschap zelfs een van de belangrijkste te beoefenen deugden en droegen vriendschappen, vond men, bij aan goede karaktervorming. In een klassiek stuk over vriendschap roept de Romeinse consul Gaius Laelius uit: ‘Wat een zegeningen biedt de vriendschap! Vriendschap komt nooit ongelegen, vriendschap is in staat een ‘zonnig perspectief’ te bieden, is altijd ‘echt en zonder bijbedoeling’, is ‘een overgave van binnenuit’, heeft ‘een natuurlijke oorsprong’ en is een uiting van ‘spontane genegenheid’. Er komt ook een ‘gevoel van liefde’ bij kijken, want zonder liefde geen opofferingen. In een vriendschap kan het nut ervan geen doel zijn, hooguit een bijkomend voordeel. Van afhankelijkheid moet ook geen sprake zijn, dat zou de verhouding scheeftrekken. Een goede vriend heeft ‘zelfvertrouwen, karakter en inzicht’; vriendschap is een ‘krachtmeting in ridderschap’.  Tot zover de consul. In een vriendschap komt zoveel goeds en moois mee dat je er eigenlijk alleen maar een beter mens van kunt worden. Natuurlijk is dit een ideaalbeeld, overslaand bijna. Zo mooi kan zelfs een vriendschap niet zijn. Toch geeft het duidelijk het onderscheid tot andere relaties aan. Het is een verbinding tussen mensen die bestaat in vrijheid, in onafhankelijkheid, in genegenheid en belangstelling om niet, in vanzelfsprekende wederzijdsheid en in bereidwillige overgave. Met alle butsen die je ook als vrienden aan elkaar op kunt lopen, is dit zo ongeveer de kern van vriendschap, en die is de eeuwen door eigenlijk weinig veranderd, al werd vriendschap als verbinding soms onnodig geïdealiseerd en soms ook al te zeer geromantiseerd.

Nergens anders in het Evangelie naar Johannes gebruikt Jezus het woord ‘vrienden’ om de relatie te beschrijven met de mensen die Hij vanaf het eerste uur heeft geroepen en die Hem zijn gevolgd. Opmerkelijk. ‘Volgelingen’ of ‘leerlingen’ zou meer voor de hand liggen. Als ‘leerlingen’ worden zij ook steeds benoemd in het Evangelie. Jezus doorbreekt hier die kaders en gebruikt voor de relatie met deze mensen het enige woord dat op z’n plaats is: vrienden. Misschien herinnert u zich van vorige week uit het eerste deel van dit tweeluik hoe de nadruk werd gelegd op de innigheid tussen, de vervlochtenheid van Jezus als de wijnstok met zijn leerlingen als de ranken. Deze verbinding is zo sterk dat de leerlingen, dat wij, nu na Pasen, met Christus samenvallen: Christus leeft in ons en zo kan de nieuwe wereld die wij zien en zijn in ons en door ons werkelijkheid worden. Bij een dergelijke verbinding die Jezus in het tweede deel van het tweeluik concreet maakt, kan niet langer in termen van leraar en leerling of van slaaf en meester gesproken worden, maar wordt de relatie tussen Jezus en de mensen achter Hem aan ook nieuw. Het is nu een relatie van vrienden en ik geloof beslist dat Jezus dat woord bewust gebruikt – een relatie van vrienden: vrij in innige verbinding, onafhankelijk in vanzelfsprekende afhankelijkheid, gelijkwaardig in de gevende en solidaire, de dienende liefde die bij vriendschap hoort. Jezus zegt tegen zijn leerlingen: nu jullie zo innig met mij verbonden zijn en zullen blijven, mogen jullie elkaars vrienden zijn. Dat is de ruimte van het leven waarin ik jullie zet en waarin jullie voor de hele wereld een voorbeeldig vergezicht mogen zijn.

Laat Henk Westbroek maar zingen dat vriendschap een illusie is. Het is onzin. Vriendschap is onverbrekelijk. Hoe vaak hoor je niet: we hadden elkaar jaren niet gezien, maar we pakten de draad zo weer op, alsof al die jaren er niet tussen zaten. Jezus zal de leerlingen verlaten, maar nu zij in Hem een gemeenschap van vrienden zijn, kunnen zij steeds de draad weer oppakken, omdat een gemeenschap van vrienden in gevende en solidaire liefde grenzeloos is, in tijd en in ruimte. En omdat zo’n gemeenschap vrij is van alles wat mensen normaal gesproken tot elkaar doet verhouden: naar inkomen, achtergrond, kennis, sociale positie. Dat is nu voorgoed voorbij. In zo’n gemeenschap treedt rust in en vrede, vrede die blijft. In zijn boekje over het Evangelie naar Johannes spreekt Sytze de Vries over de samenhang tussen die drie woorden: vriendschap, vrijheid en vrede. Sytze legt uit: ‘Het Nederlandse woord vriend(in) is van oorsprong het tegenwoordig deelwoord van het werkwoord vrijen, namelijk vrieënde. Een bekende menselijke bezigheid, maar allereerst afgeleid van het woord vrij. Een vriend is dus een vrijende, iemand die je vrij maak, bevrijdt. Maar het woord vrij heeft zijn wortels in vrede. Je vriend is je vrijer, degene die je bevrijdt, vrede geeft, bevredigt. Kortom: je verlosser.’  Tot zover Sytze de Vries.

Op deze zesde en laatste zondag van Pasen voor Hemelvaart spreekt Jezus over ons uit, vraagt Hij van ons dat wij elkaar liefhebben als vrienden, dat wij in zijn navolging als een vergezicht voor heel de wereld een gemeenschap van vrienden willen zijn, van mensen die vrij zijn, werkelijk vrij, omdat wij met Hem, met Jezus vrolijk opstandig de afgrond van angst, chaos en dood bewandelen die voor ons geen afgrond meer is. Dat wij vrije mensen zijn met vrede in ons hart. Dat wij achterlaten wat of wie ons heeft gezegd wat wij zijn of zouden moeten zijn of hoe wij ons zouden moeten gedragen: als calculerend consument, als brave burger, als vrome gelovige, als liefhebbende echtgenoot, als altijd gehoorzaam kind, als aangepaste homo, als best presterende medewerker. Het mag allemaal, maar het doet er niet meer toe. Het is niet belangrijk meer. Wij mogen in de allereerste plaats mensen zijn, die elkaar liefhebben, zoals vrienden dat doen, omdat er Een was die het beslissend en overtuigend heeft gedaan, trouw tot in het einde.

Amen

14 apr

Derde zondag van Pasen
ds. Wielie Elhorst
Lezingen: Micha 4:1-5 en Johannes 21:15-24


Gemeente van Jezus Christus, beste mensen,

Hoe vaak heb ik Hem vurig trouw beloofd
zonder de diepte van die daad te weten?
Hoe snel deed ik of ik Hem was vergeten
en heeft de nacht mijn vurigheid gedoofd.

Hij sprak van liefde – maar tot welke prijs?
Hij bood de vrijheid – maar ik bleef gevangen.
Hij sprak van trouw en raakte mijn verlangen.
Maar nu hij zwijgt, bied ik hem geen bewijs.

Die tot zijn vrienden ons verkozen had
en ons liet delen in zijn groot vertrouwen,
die mij de rots dacht, waarop hij kon bouwen –
was ik de vriend die dat nooit meer vergat?

Kan ik de naam, die mij is toevertrouwd,
ooit nog met opgeheven hoofde dragen?
Is het te laat? Hij zou mij mogen vragen
hoe ik met heel mijn leven van hem houd.

Ook dit jaar zongen we deze woorden, dit lied, op Goede Vrijdag na de episode in het lijdensevangelie waarin Petrus Jezus tot drie maal toe verraadt. Sytze de Vries heeft het lied prachtig gedicht, indringend. Het raakt ons, mij in ieder geval, omdat het de uitdrukking is van een tragisch drama, van de ene mens die een ander verraadt, laat vallen, in de steek laat, niet langer trouw is, terwijl het hier gaat om iemand die tegelijkertijd het object is van liefde, van verlangen, van een vergezicht, van eindelijk alles anders. Het maakt, denk ik, eveneens iedere keer weer zo’n indruk, omdat we ons realiseren dat we hier niet luisteren naar een verhaal over iemand ver weg ooit, maar dat het verhaalde, dat wat gezongen wordt, ook dwars door ons leven snijdt. We kennen zelf de pijn van je in de steek gelaten voelen. We weten wat ontrouw is, en dan bedoel ik nu even geen huwelijkse ontrouw, maar de plaats die je in solidariteit naast iemand innam en die je toch verliet. We herinneren ons dat iemand ons liet vallen of dat wij anderen lieten vallen. Misschien was het nooit zo ernstig als het verraad dat Petrus aan Jezus pleegde, maar de meesten van ons zijn bekend met deze kant van wie mensen zijn of we voelen goed aan dat het risico op een houding die dit gedrag vertoont, vrij groot is, dat het altijd op de loer ligt, dat we mogelijk toch opgeven, onze trouw laten varen, dat wij bij Jezus horen.

Na alle grote gebeurtenissen van de afgelopen weken: Jezus die op het toneel verscheen door als een koning op een ezel Jeruzalem in te gaan, die vervolgens in het holst van de nacht gevangen genomen werd, voor de wereldlijke en de religieuze overheden moest verschijnen, die veroordeeld werd, onder grote publieke druk, die voor het oog van iedereen werd gekruisigd, maar voor wie de dood toch geen laatste woord was en die opstond uit die dood, – arriveren we deze zondag in de intimiteit van mensen die met elkaar zijn opgetrokken, die geschiedenis hebben gemaakt met elkaar, die een goede boodschap hebben gedeeld: de intimiteit van een rabbi en zijn leerlingen, de intimiteit van vrienden. Het is ochtend, het is stil aan de oever van het meer van Tiberias, er brandt een kolenvuurtje. Het ontbijt is brood en vis. ‘Kom, eet iets,’ zegt Jezus en zwijgend wordt wat aangeboden, genuttigd. Iedereen weet wat hier gebeurt, wie het is die hier nodigt, maar er is niemand die ook maar een woord zegt – misschien wel bang om iets te zeggen, of onder de indruk van het ogenblik of om zo lang als kan te koesteren wat even net zo vertrouwd is als voorheen.

Dan, als brood en vis op zijn, wordt de kring nog intiemer: Jezus en Petrus blijven over, twee vrienden, maar vrienden die door hun vriendschap een diepe breuk zien lopen, een vriendschap, trouw die ontkend werd op het moment dat het er het meest toe deed. Zelfs de Opgestane kan niet verder als de relatie met deze mens, de eerste onder zijn volgelingen, niet eerst geheeld wordt. Ik kan me voorstellen dat beide mannen, in verlegenheid met de situatie met de ogen neergeslagen, tegenover elkaar zaten en dat er een moment lang een stilte viel die wel een eeuwigheid leek te duren. Maar dan neemt Jezus het woord en vraagt hij Petrus bij zijn oude naam: ‘Simon, zoon van Johannes, heb je mij lief, met een liefde die die van allen hier overtreft?’ En Petrus antwoordt: ‘Ja, Heer, u weet dat ik van u houd.’ Jezus herhaalt de vraag: ‘Simon, zoon van Johannes, heb je mij lief?’ En opnieuw antwoordt Petrus bevestigend. Als Jezus de vraag voor de derde maal stelt, overmant verdriet Petrus. Zo vaak Hij Jezus zijn Heer en vriend hardop ontrouw is geweest, zo vaak moet hij nu zijn liefde verklaren. Het is een uiterst moeilijk gesprek dat pijnlijk blootlegt hoe diep de breuk is die hersteld moet worden. En toch, al moet de vraag naar Petrus’ liefde voor Jezus drie keer worden gesteld, al bij de eerste keer haalt Jezus Petrus binnen als vriend, bevestig Hij hem als leerling, als volgeling en geeft Hij Petrus de opdracht te zorgen voor hen die deel uit maken en zullen gaan maken van de gemeenschap die zich naar Hem zullen noemen. In de pijnlijkheid van het gesprek dat gevoerd wordt, zien we de kracht van de opstanding van het leven in hoe hier een menselijkerwijs nauwelijks te herstellen breuk, toch wordt geheeld en er een nieuwe ruimte ontstaat waarin weer een weg vooruit is. Eindelijk wordt al het niet begrijpen, het niet weten, het niet kennen dat in heel het Evangelie naar Johannes nauwelijks genoeg onderstreept kan worden, teniet gedaan door de wederzijdse liefde die wordt gevraagd en wordt beleden, en die helend de breuk overbrugt die er eigenlijk steeds al was geweest, omdat de beelden en de verwachtingen die de mensen, de leerlingen hadden, steeds het zicht op Jezus als de Zoon van God, als de Levende ontnamen. In of dankzij het falen van Petrus wordt de diepte en de reikwijdte van de liefde van God in Jezus Christus zichtbaar. Deze gevraagde en zo vaak als nodig is beleden liefde, maakt, doordat deze raakt en heelt, van mensen volgelingen die nu de weg van Jezus kunnen gaan, die zelf liefde tot het uiterste was.

We hoorden deze woorden uit een hoofdstuk dat later aan het Evangelie naar Johannes is toegevoegd. Het wil inzichtelijk maken hoe het met de leerlingen en met Petrus en de leerling die Jezus liefhad in het bijzonder, verder is gegaan. Door dit toegevoegde hoofdstuk eindigt het Evangelie nu niet met – als ik het zo mag zeggen – het spektakel van Jezus’ dood en opstanding, noch met zijn wonderlijke verschijningen op zichzelf, maar met een intiem gesprek in de vroege ochtend aan de rand van een meer, waarin het herstel van een relatie van liefde het begin vormt van het vervolg van Jezus’ weg over de aarde, nu in zijn volgelingen, dat wil zeggen in de liefde van Jezus Christus zelf, die zij in zich meedragen, die zij uitdragen en die zo zijn helende, bevrijdende en verzoenende werk kan blijven doen. Dat kan voor Jezus’ volgelingen een werk zijn dat zoals voor Jezus het uiterste van hen vraagt. Dat wordt Petrus in het vooruitzicht gesteld. Maar het kan ook een blijven getuigen betekenen: de woorden blijven herhalen, net zo lang tot ze gaan raken en liefde worden. Dat lijkt de weg te zijn van de leerling die Jezus liefhad en die naar eigen zeggen ook de auteur is van het Evangelie naar Johannes.

Ons geloof bestaat niet daarin dat wij de opstanding ‘begrijpen’ of dat wij zouden kunnen bewijzen dat het echt is gebeurd, dat wij ons precies verhouden tot wat zich ook aan het oog van de allereerste volgelingen heeft onttrokken, maar daarin dat wij Jezus’ opstanding werkelijkheid doen worden door de liefde van God, die ons steeds opnieuw als een vraag wordt gesteld, met onze liefde te beantwoorden. En dat gebeurt waar wij heling tot stand brengen, waar wij bevrijden, waar wij ervoor zorgen dat mensen ruimte vinden om op te ademen en te leven en waar wij mensen met zichzelf, met elkaar en met de wereld verzoenen. Elk woord, elke kleine daad die dit realiseert, maakt de weg zichtbaar die wij als volgelingen van Jezus mogen gaan. Waar dit gebeurt belijden wij onze liefde voor Jezus. Waar dit gebeurt staat Jezus zelf keer op keer op. Waar dit gebeurt is Jezus, de Levende zelf aanwezig. Vandaag zegt Jezus ook tegen ons: Volg mij.

Amen


31 mrt

Pasen
ds. Wielie Elhorst
Lezingen: Jesaja 25:6-9 en Johannes 20:1-19


Gemeente van Jezus Christus, beste mensen,

Drie jaar lang waren ze Hem gevolgd en ze waren zijn lievelingsleerlingen geworden. Toen Maria door Jezus werd gevonden, was ze het bezit van zeven verschillende stemmen. Jezus dreef ze uit en vanaf dat moment was ze niet meer van zijn zijde geweken. Ze leefde van dat ene moment, dat moment dat de chaos van alle stemmen in haar binnenste, week en dat ze nog maar één stem hoorde, die van Jezus die haar noemde bij haar naam: Maria, die haar hand beetpakte en zei: laten we gaan. En ze ging, met Hem. Achteraf gezien vond ze het eigenlijk vreemd dat ze toen niet al waarheid had gezien in Jezus. Ze was waarschijnlijk al te zeer onder de indruk geweest van wat Hij had gedaan en ze had zich mogelijk te veel aan Hem vastgeklampt, als aan de man die haar het leven had teruggegeven, waar ze dankbaar voor wilde zijn en bij wie ze maar niet al te ver uit de buurt moest geraken, wilden die zeven stemmen niet opnieuw bezit van haar nemen. Maar dat was toch niet meer gebeurd. Die andere leerling was ook steeds dichtbij Jezus geweest. Hij was geroepen door Jezus om Hem te volgen, als een van de twaalf, hoewel dat in de praktijk eigenlijk niet echt uitmaakte. Er liepen veel meer mensen dan die twaalf met Jezus op. En ze waren allemaal leerlingen, zij net zo goed. Niemand had een streepje voor bij Jezus, maar voor haar en de andere leerling voelde Hij duidelijk genegenheid. Waarom precies wisten ze eigenlijk niet. Meer dan eens troffen ze elkaar in de schoot van Jezus en dan keken ze elkaar veelbetekenend aan. Wat was dit fijn en goed en veilig. En wat hadden ze vurig gewenst dat het nooit voorbij zou gaan. Daar leek het ook echt wel even op. Toen Jezus eenmaal was begonnen het onmogelijke te doen, op een bruiloftsfeest liters uitstekende wijn uit grote watervaten tapte, iedereen zo ongeveer dronken van geluk, was er geen houden meer aan. Zoveel mensen kwamen iedere dag naar Jezus toe. Ze wilden als het ware allemaal een slokje van die wijn, deel uitmaken van dat feest. Jezus zei tegen mensen dat ze de last van wat hun ouders zouden hebben gedaan, niet langer met zich mee hoefden te torsen; dat alles vergeten en vergeven was en dat ze nu eindelijk eens moesten gaan leven. Jezus stapte gewoon op mensen af die buitengesloten waren, omdat ze een maatschappelijk stigma hadden. Jezus had nog geen stap in hun richting gezet of ze voelden zich al gezien en gehoord en het stigma verdween als sneeuw voor de zon. Jullie kunnen weer meedoen, onder de mensen zijn, had Jezus tegen hen gezegd. En als er geen redderen meer aan leek met iemand, bleef Jezus volhouden dat hier absoluut geen sprake was van een einde, maar juist van een nieuw begin. En je moest niet denken dat Hij om ging lopen van Galilea naar Jeruzalem. Dwars door Samaria liep Hij alsof de tweestrijd tussen met de Samaritanen geen enkele betekenis had. Sterker nog, Hij bleef er nog even hangen ook en sprak er met een Samaritaanse, een vrouw! Ongehoord was het, natuurlijk, maar Jezus liet zien: ieder mens is volop mens, nooit minder mens dan een ander. En ieder mens kan een ander aanspreken, ontmoeten, in de ogen zien, aanraken. Achtergrond doet er niet toe. Dat mensen voor elkaar van betekenis kunnen zijn over grenzen heen had Jezus zelf ook moeten leren trouwens. Een vrouw uit Syro-Fenicië die Jezus nodig had, hield aan zo lang ze kon en toen ze zei: zelfs de honden krijgen nog de kruimels die van de tafel vallen, had ze Jezus rood aan zien lopen en was Hij ook voor haar in gaan staan. Grenzeloos was Jezus in zijn liefde, hoe Hij naar mensen keek en wat Hij in ze zag. Zo zag niemand mensen aan. Dat had ze zelfs gemeend te zien als Jezus weer eens in een fel debat gewikkeld was met de mensen die altijd precies wisten hoe het zat en die vonden dat Jezus zich wel erg veel aanmat. Ook dan meende ze in zijn ogen te zien dat Hij zo graag zou willen dat zij zagen dat Hij als een ware Zoon van God iedereen weer mee liet doen, de gelegenheid gaf het goede te doen, te leven vanuit de Thora, zoals ooit door God bedoeld, als een weg ten leven van vrije mensen, ooit bevrijd uit een slavenhuis. En dat het natuurlijk niet de bedoeling was dan een nieuw slavenhuis te bouwen, opgetrokken uit zoveel regels dat negentig procent van de mensen zich bij voorbaat al tekort voelde schieten, omdat het niet te doen was al die regels in acht te nemen. Alsof God dat zou willen. God wil dat mensen mensen zijn, geen slaven, dat zij leven, niet dat zij levend al dood zijn.

Zo mens als wij was Hij. Dat had ze wel gezien. Wat kon Hij grauw zien van vermoeidheid, en dan toch aardig blijven. En wat kon Hij soms een moedeloze indruk maken, als Hij tegen ons zei: hebben jullie het nou nog niet begrepen? Jullie kijken wel naar mij en naar wat ik doe, maar jullie zien niets. Jullie luisteren wel naar mijn woorden, maar echt horen wat ik zeg, doen jullie niet. Het maakt geen verschil. Jullie blijven in jullie oude schema’s hangen, de oude modellen van oorlog en vrede, van macht en onderdanigheid, van wij wel maar hullie niet. En wat kon Hij zich boos maken als zelfs het heilige, de tempel, tot stikkens toe klem was gezet, omdat er toch ook geld moest worden verdiend. Zo kon God toch niet tussen de mensen wonen. Dat vraagt een andere aandacht. Hij had alle tafels omgekeerd, precies zoals Hij altijd alles omkeerde, als Hij zei: in heling vind je Gods liefde, niet in buitensluiten; in vergeving vind je Gods liefde, omdat die ruimte maakt, niet door je zelf en anderen met nog meer schuld op te laden. In leven dat doorgaat, dat opstaat uit wat iedereen voor dood hield - daar vind je de liefde van God. Door zieken te bezoeken, naakten te kleden, hongerigen te voeden, dorstigen te drinken te geven, gevangenen op te zoeken, door je te identificeren met kinderen, met tollenaars, met hoeren, dan vind je de liefde van God – niet door elkaar op te sluiten in een nieuw slavenhuis van regels. Als ik je aanraak, dan voel je de liefde van God, niet in regels die je klemzetten, niet in standpunten waarmee je elkaar kunt bekogelen als waren het stenen. Als we mens zijn voor elkaar, dan ervaar je de liefde van God en word je deelgenoot van een werkelijkheid die al is en nog gaat komen. (…)  Het was wonderlijk. Ze had zelf ervaren hoe Gods werkelijkheid door Jezus was ingebroken, doorgebroken in haar werkelijkheid en hoe dat haar weer tot een heel mens had gemaakt en toch kon ze niet vatten wat er nu precies was gebeurd, hoe haar oude leven plaats had gemaakt voor een nieuw leven. ‘Mijn teken aan jou is dat jij al een teken bent van het rijk dat komt,’ had Jezus vaak tegen haar gezegd, en dat vervulde haar steeds weer met vreugde, maar wat ze zich er nu echt bij moest voorstellen, bleef onduidelijk. Ook de andere leerlingen wisten het niet, zelfs niet de leerling met wie ze soms de schoot van Jezus deelde.

Even leek dat rijk zich aan te dienen, toen ze, samen op weg naar Jeruzalem voor het Pesachfeest Jezus op een ezel binnen zagen rijden. Het was alsof er een nieuwe koning werd binnengehaald met al die bovenkleren op de weg voor Jezus om over heen te gaan en al die juichende mensen met hun bladertakken. Maar het was van korte duur geweest en met een sisser afgelopen. En daarna was het snel gegaan. De spanning tussen Jezus en de mensen die het altijd precies wisten was zo hoog opgelopen dat Hij werd vastgezet en beschuldigd. Het deugde allemaal absoluut niet, maar het leek wel alsof het niet anders kon gaan dan zo. Het was voorbij. Geen schoot meer waarin ze zich veilig kon voelen. In plaats daarvan een man die ze langzaamaan tot een schim van zichzelf zag worden, door alle geweld dat Hij kreeg te verduren. Het was onverdraaglijk. In deze wereld was kennelijk geen plaats voor een mens die niets anders zei en deed dan Gods liefde. Zo mens als wij was Hij. Hij stierf, blies de laatste adem uit, gaf de Geest. Wat was ze intens verdrietig geweest maar ook dankbaar dat het lichaam van Jezus aan hen was overgedragen. Ze hadden het koninklijk behandeld, schoongemaakt, en in witte doeken gewikkeld voorzien van geurige kruiden en er was zowaar een graf beschikbaar waar nog nooit iemand anders in had gelegen. Nog even heel dichtbij Jezus, Hem nog even aanraken, een kus op zijn voorhoofd. De steen was voor het graf gerold en toen was het voorbij, tenminste dat dacht ze.

In een koortsachtige spanning hadden ze met alle leerlingen bij elkaar gezeten, in wat er nog restte van de eerste nacht, de sabbat – ze hadden zich uit voorzorg maar niet laten zien -, en toen de tweede nacht tot in de eerste uren, en toen hield ze het niet meer uit. Zover bij Jezus vandaan zijn, was na al die jaren samen niet te verdragen. Al kon ze maar even tegen die grote steen aanzitten. Dat zou al fijn zijn. Het was een angstige tocht zo door het donker, maar ze had het gehaald. Toen ze de tuin betrad waar het graf was, kon ze haar ogen niet geloven. De zware steen voor het graf was weg! Onmogelijk. Wie doet er nou zoiets?! Bij het graf aangekomen, durfde ze bijna niet naar binnen te kijken, uit angst te gaan zien wat ze niet wilde zien: dat Hij, dat Jezus er niet meer zou liggen. Maar haar grootste angst werd bewaarheid.

Goed, u heeft het verhaal net gehoord, dat heen en weer gevlieg van Petrus en die andere leerling. Graf in, graf uit. Wel waar, niet waar. Ik geloof. Ik weet het nog niet. Uiteindelijk bleef ze alleen achter, in die prachtige tuin waar ze door haar verdriet helemaal geen oog voor had. Het leek wel het Paradijs, zo mooi. Huilend boog ze zich nog één keer voorover het graf in. Ze verbaasde zich er nu over dat de boodschappers die ze toen zag, aan het hoofd- en voeteneind van waar ze Jezus hadden neergelegd, haar niet direct bij haar positieven hadden gebracht. Hun aanwezigheid had haar toch al moeten herinneren aan de woorden van Jezus die niet over een einde sprak maar over een teruggaan naar zijn Vader. De realiteit van dood van Jezus die ze zelf had ondergaan en nu ook nog de vermissing van zijn lichaam, was kennelijk te veel en liet geen ruimte om anders te gaan kijken, er anders tegen aan te kijken, werkelijk te zien wat hier was gebeurd. De boodschappers vroegen: ‘Waarom huil je?’, maar voor ze goed en wel had kunnen antwoorden ‘omdat Jezus weg is en ik weet niet waar Hij nu is’, waren ze al weg. En toen was daar Jezus. Ze had hem eerst niet herkend. Wat is wat wij mensen voor waar houden en voor werkelijk toch ongelooflijk hardnekkig en traag. Er lijkt niets tegen opgewassen. Dat is ook niet zo raar, natuurlijk. Wij zijn mensen en hebben het te doen met wat ons gegeven is en dat is uiteindelijk ook de dood, en gemis, en verdriet, en rouw. Jezus vroeg: ‘Waarom huil je?’, net als de boodschappers, en weer kon ze er niets anders uitkrijgen dan: ‘Als u weet waar ze Jezus heen hebben gebracht, vertelt u mij dat dan, alsjeblieft.’ En nog half naar het graf gedraaid, hoorde ze toen wat haar leven voorgoed zou veranderen: ‘Maria’. Toen ze door Jezus bij haar naam werd genoemd, toen zag ze, toen wist ze: ook ik ben onderdeel geworden van die andere werkelijkheid midden in onze werkelijkheid. Ook ik zie nu eindelijk dat ik niet bij dat graf moet zijn, dat ik van dat graf geen mausoleum moet maken dat als een monument ter gedachtenis een bedevaartsoord moet worden. Ook ik zie het nu: de Levende Heer die voor mij staat, die mij bij mij naam kent en die zovelen bij hun naam genoemd een nieuwe werkelijkheid heeft binnengebracht: van vergeving, van heling, van liefde, van vrijheid, van genade. Ook ik zie nu eindelijk de werkelijkheid van het leven dat de keerzijde van de dood niet kent. Als in een al te routinematig geworden reflex wil ze Jezus aanraken, maar Jezus weerhoudt haar daarvan. Zijn trouw blijft, Hij blijft nabij, maar Maria moet leren dat zijn nabijheid voortaan een andere gestalte zal krijgen, sterker nog: dat zij de nabijheid van Jezus, nu genoemd naar Hem, zelf mag uitdragen en praktiseren. Nog een keer helpt Jezus Maria op te staan, nog altijd de mens die zij is, maar nu volkomen nieuw. Ze spoedt zich terug naar de andere .leerlingen. Nu zijn haar woorden niet ‘Het graf is leeg’, maar ‘Ik heb de Heer gezien.’ Haar woorden brengen de nieuwe werkelijkheid van de Opgestane, de Levende Heer nabij de andere leerlingen. En vanaf dat moment is het zo gegaan, tot op de dag van vandaag. Ja, het is van horen zeggen, maar ook wij hebben de Heer gezien. In dat zien zit ons geloof, niet als bewijs, maar als teken dat alle werkelijkheid opstandingswerkelijkheid kan worden: leven zonder de keerzijde van de dood. En daar zijn wij vandaag tweeduizend jaar later de levende getuigen van.

Beste mensen, wat doen we hier nog. Laten we opstaan om samen Gemeente van Jezus Christus te zijn, van Hem die leeft en wij met Hem.

En daarop zeggen wij deze zondag samen…

Amen


24 mrt

Palm- en Passiezondag

ds. Wielie Elhorst

Lezingen: Jeremia 4:19-5:1 en Marcus 11:1-11


Gemeente van Jezus Christus, beste mensen,

Als oudere tiener en als jonge student ging ik in de zomer meer dan eens als vrijwilliger naar het buitencentrum van het Leger des Heils in Lunteren. Ik ging er heen als leider van een groep kinderen die daar een paar weken van hun zomer doorbrachten. Ik kende de kinderen niet, voor ik ze ontmoette in het kamp. De achtergrond van de kinderen was heel verschillend. Er waren groepen kinderen uit de korpsen, de plaatselijke afdelingen van het Leger. Zij kwamen met hun eigen leiding. Ook waren er kinderen die allemaal afzonderlijk door hun ouders waren gebracht. Zij werden ook als groep bij elkaar geplaatst en meestal kreeg ik zo’n groep toegewezen. En dan waren er ook altijd groepen kinderen uit de kinderhuizen van het Leger. Zij kwamen met hun professionele begeleiders. Naar deze laatste groep ging altijd de meeste aandacht uit. De meeste van deze kinderen waren rond de 7 tot 10 jaar oud. Ze waren eigenlijk zonder uitzondering ontzettend lief en aanhankelijk, maar ze waren tegelijkertijd ook volstrekt onhandelbaar. Als iedereen uitgegeten was, de afwas was gedaan en de eetzaal verlaten, zaten er steevast nog een paar van deze kinderen met hun leiding, in een ernstige machtsstrijd verwikkeld over wel of niet eten. En dat is maar één van de vele voorbeelden. Iedereen was onder de indruk van het eindeloze geduld en niet opgeven van de leiding, die na twee weken met deze kinderen wel helemaal afgedraaid moest zijn. Nieuwsgierig naar hun manier van werken vroeg ik hen hoe ze deze kinderen hielpen uiteindelijk hun plek in de samenleving in te kunnen nemen. Het antwoord dat ze gaven, was niet helemaal wat ik had verwacht. Ze vertelden dat ze de meeste van deze kinderen ‘helemaal tot nul terugbrachten’. Ze bedoelden daarmee dat ze alles wat die kinderen nu waren, wegnamen om hen als het ware met een schone lei te laten beginnen. Ik schrok er een beetje van. Het klonk erg rigide. Maar na twee weken met deze kinderen in de buurt begon ik er wel wat van te begrijpen. De meeste van deze kinderen waren zo getraumatiseerd, zaten zo vast in hun gedrag, waren zo onhandelbaar, dat er niets anders mogelijk leek. Om een nieuw mens te worden, moesten zij eerst volledig sterven aan hun ervaringen en aan zichzelf. Je kunt ook zeggen dat ze als het ware opnieuw geboren moesten worden. Het kan kennelijk zelfs met kinderen zo ernstig gesteld zijn, dat er niets anders meer opzit dan helemaal overnieuw beginnen.

Wat ik ooit in het klein meemaakte in die zomerkampen van het Leger, vinden we in de lezing uit Jeremia 4 terug, maar dan in kosmische proporties. We keren nog één keer terug naar de profetieën in het eerste deel van Jeremia en horen God en de profeet na elkaar spreken. De woorden zijn hard en niets ontziend. Ze geselen. De woorden van de profetie laten niets van Gods volk over. Het zijn wel de woorden van een God met een bonzend hart, die het duidelijk verschrikkelijk vindt dat Hij zijn eigen mensen zo is kwijtgeraakt, dwaas geworden als ze zijn, slecht zelfs. Jeremia spreekt zijn profetieën uit over Juda en Jeruzalem. Land en stad staan onder grote druk. Waar het eerder was gelukt een wereldrijk in zijn opmars staande te houden, daar lijkt dat nu niet langer mogelijk te zijn. Het lijkt onomkeerbaar, een lot dat stad en land over zichzelf afgeroepen hebben, omdat de inwoners van Jeruzalem en Juda zich hebben uitgeleverd aan andere goden, omdat ze zich hebben verloren in het religieuze spel in de tempel en de bedoelingen daarvan uit het oog verloren waren, omdat het behoud van macht belangrijker was geworden en de mensen en het land daar volledig ondergeschikt aan waren geraakt – land werd onteigend en geplunderd, omdat zelfbehoud op de eerste plaats was komen te staan, omdat ze vergeten waren te leven als vrije mensen, ooit door God weggevoerd uit een land waar ze tot slaaf gemaakt waren en aan elkaar en aan het nieuwe land gegeven. Er was eigenlijk niets meer dat hen nog onderscheidde van de volken om hen heen…

Hoe ernstig het is, blijkt uit de verzen die volgen, vanaf vers 23, namelijk dat God verlaten kosmische consequenties heeft. De woorden die worden uitgesproken doen denken aan het Scheppingsverhaal, maar nu is er sprake van ‘ont-Schepping’, van ongedaan maken wat er tot stand is gebracht. Er is iemand die ziet, zo hoorden we, maar niet dat het goed is. Er is niets meer: de aarde is als ooit ‘woest en ledig’, en het is donker, want de lichten ooit aan de hemel gezet, zijn er niet meer. De bergen huiveren. En er is niemand meer. De straten van de steden zijn leeg. De wijngaarden zijn verworden tot een woestenij. Kennelijk bestaat er een samenhang tussen wat mensen doen en laten en het effect dat dat heeft op hun omgeving. Mensen zijn geen eiland in een grote oceaan, door niets aangedaan, en menselijk handelen of gebrek daaraan vindt niet plaats in het luchtledige. God leidde zijn volk niet uit Egypte om zich terug te trekken in het Beloofde Land als in een bubbel, maar om een uitverkoren bestaan te leiden, als bevrijde mensen, die zo hun licht konden laten schijnen onder de volken. Het mocht niet zo zijn. Mensen, volken die zich toch weer verhouden tot gevangenschap, die zichzelf klemzetten in macht en zelfbehoud, en die anderen daaraan ondergeschikt maken, tot slaaf maken van een systeem dat mensen van elkaar vervreemdt, en, om te behouden wat men heeft, plundert en uitput, die roepen over zichzelf af dat hun werkelijkheid op een zeker moment zal imploderen en er niets van overblijft, sterker nog: dat het veel verdergaande gevolgen heeft dan men denkt: woeste, duistere ledigheid.

In het Tweede Testament, in het Evangelie naar Marcus, is er ook iemand die ziet, die de mens, zijn volk met vermogen tot onderscheid aanziet. Die Jeruzalem voor zich ziet liggen en huilt, die evenals Jeremia, de profeet van Jeruzalem, niet wordt begrepen, terwijl Hij toch voortdurend laat zien hoe het tussen de mensen en met God ook kan zijn, die niet van heersen spreekt, maar van dienen, die andere mensen gezichtsvermogen geeft, die niet ongezien aan hen voorbijgaat, iemand die met andere ogen, die met Gods ogen kijkt. Jezus ziet óók de gevolgen van een volk dat gevangen is, niet omdat er een vreemde bezetter is, maar omdat het kwijtgeraakt is wat het betekent te leven met een God die bevrijdt, die geen regels geeft die opnieuw klemzetten en mensen reduceert tot de gevangenen van een systeem of juist tot buitenstaanders, omdat zij aan dat systeem helemaal niet kunnen voldoen. Het ziet er vandaag allemaal heel vrolijk uit, op het eerste gezicht: Jezus op een ezel met mensen om zich heen, die Hem toejuichen en ‘Hosanna’ roepen, hun redding van hem verwachten, maar die nog steeds niet zien dat hier een andere koning Jeruzalem binnenrijdt, die wel redt, maar niet zoals de mensen dat voor ogen hebben. In het Evangelie naar Marcus is het opvallend hoe snel het stil wordt, als Jezus Jeruzalem eenmaal binnen is gereden. Jezus gaat naar de tempel, kijk wat rond, maar heeft het al snel gezien: het is niets en er is niets. Op deze plek zal eerst geen steen meer op de andere moeten staan, wil er iets veranderen. De gevolgen die Jezus voor Jeruzalem ziet, zijn niet minder dramatisch dan wat Jeremia ooit profeteerde.

We gaan deze zondag met Jeremia en met Jezus, maar met deze laatste onder de schijn van het tegendeel, tot het gaatje. De woorden zijn akelig, het perspectief is een doemperspectief. De samenhang die Jeremia presenteert tussen wat mensen elkaar aandoen en de gevolgen daarvan voor de aarde die wij bewonen en dat met kosmische proporties, geeft ook ons te denken, zou ook ons te denken moeten geven. Dat juist dat beeld van het ‘ont-scheppen’ van de aarde en van de mens zo nadrukkelijk wordt gebruikt, laat zien dat menselijk nalaten en menselijk handelen niet vrijblijvend is, dat we niet net kunnen doen of we ons kunnen onttrekken aan onze leefomgeving, alsof wij daar los van bestaan, en dat we niet met onze rug naar anderen toe kunnen gaan staan, die steeds maar inleveren om onze manier van leven in stand te houden. De vraag die we ons al weken stellen: waar loopt dit allemaal op uit, kan bijna niet anders beantwoord worden dan met de woorden: op niets, op vernietiging en daarmee op een stilte die voor eeuwig zal duren.

En toch is dit niet het laatste woord. Zonder uitsluitsel te geven over wat er precies zal gebeuren, hoe omvattend de vernietiging, de ‘ont-Schepping’ zal zijn, lezen we opeens in Jeremia 4:27b: ‘…maar vernietigen zal ik het niet’. Het lijkt in tegenspraak met alles wat aan deze woorden voorafgaat en ook wat daar dan weer op volgt. Hoe ingrijpend het allemaal ook zal zijn en dat is onvermijdelijk, het betekent niet dat er niets zal overblijven. Voor God is onverdraaglijk wat niet deugt, maar zo laat het eerste vers van hoofdstuk 5 zien, Hij blijft vragen naar die ene rechtvaardige. Dat zou voor Hem al voldoende zijn om de hele stad te vergeven. Het is echt nodig dat onze werkelijkheid drastisch verandert, dat wat de vrijheid van mensen en de vrijheid van de aarde niet dient, teniet wordt gedaan, dat het wordt vernietigd. Er kan alleen een eind worden gemaakt aan de werkelijkheid van onze gevangenschap als de gevangenis waarin we zitten en die we zelf hebben gecreëerd tot de laatste steen wordt afgebroken, als we weer om ons heen kunnen zien, zoals God ziet: de aarde als een tuin met genoeg voor iedereen, zonder de noodzaak van mijn en dijn, zonder hekken en grenzen, zonder onderscheid tussen mensen dan enkel Gods vermogen tot onderscheid, namelijk elkaar in liefde aan te zien, maar zover is het nog niet. Laten we gehoor geven aan Gods oproep en in de week die voor ons ligt zoeken naar die ene Rechtvaardige. Dat gaat lukken als wij, gedreven door God zelf, gaan tot het gaatje – als ik dat zo mag zeggen, als wij gaan tot de bittere dood, tot het moment dat het licht dooft en de stilte intreedt. Laten we gaan in het vertrouwen dat God ons ook dan niet loslaat, dat ons ‘Hosanna’ dan in geloof uitgeroepen, gezien, gehoord en beantwoord wordt.

Amen

10 mrt

Vierde zondag van de Veertigdagentijd

ds. Wielie Elhorst
Lezingen: Jeremia 29:1-14, fragment ‘Doopbrief’ Dietrich Bonhoeffer, Marcus 4:1-9


Tweede lezing: gedeelte uit de ‘Doopbrief’ van Dietrich Bonhoeffer (mei 1944)
Je wordt vandaag gedoopt tot christen. Al de grootse en oude woorden van de christelijke verkondiging worden over je uitgesproken en het doopbevel van Jezus Christus wordt aan je voltrokken zonder dat je er iets van begrijpt. Maar ook wij zelf moeten ons weer bezinnen op de basis-elementen van ons kennen. Wat betekenen: verzoening en verlossing, wedergeboorte en heilige Geest, liefde voor de vijand, kruis en opstanding, leven in Christus en navolging van Christus? Deze begrippen liggen zover van ons af, dat we er bijna niet meer over durven praten. In de overgeleverde woorden en handelingen vermoeden wij iets volkomen nieuws, iets revolutionairs, maar we kunnen het nog niet bevatten of onder woorden brengen. Dat is onze eigen schuld. Onze kerk, die deze jaren alleen gevochten heeft voor zelfbehoud alsof ze een doel was op zich, is niet in staat het verzoenende en verlossende woord te brengen aan de wereld en de mensen. Daarom moeten de oude woorden wel hun kracht verliezen en verstommen. Ons christen-zijn zal in deze tijd bestaan uit slechts twee elementen: bidden en onder de mens en het goede doen. Elk denken en praten en organiseren van christenen moet herboren worden uit dat bidden en dat doen. Tegen de tijd dat jij volwassen bent zal de gedaante van de kerk sterk veranderd zijn. De kerk is nog in de smeltkroes en iedere poging om haar voortijdig weer een machtige organisatie te geven, zal een vertraging betekenen in haar verandering en zuivering. Het is niet aan ons de dag te voorspellen - maar die dag zal komen - dat er weer mensen geroepen worden om zó Gods Woord te spreken dat de wereld er onder verandert en zich vernieuwt. Het zal een nieuwe taal zijn, volkomen a-religieus misschien maar bevrijdend en verlossend als de taal van Jezus; de mensen zullen ontsteld zijn maar zich gewonnen geven aan haar kracht; een taal van een nieuwe rechtvaardigheid en waarheid, een taal die de vrede verkondigt tussen God en de mensen en de nabijheid van zijn Rijk. 'Zij zullen zich verbazen en verwonderen over al het goede en het heil, dat Ik aan haar doe' (Jer. 33:9). Tot die tijd zal de zaak der christenen verborgen zijn en stil, maar er zullen mensen zijn die bidden en het goede doen en wachten op Gods uur. Ik hoop dat jij één van hen zult zijn en dat eens van jou gezegd zal worden: 'De weg van de rechtvaardigen is stralend als de zon, die opkomt, hoger klimt, totdat de dag zijn licht verspreidt.’ (Spr. 4:18).

Overdenking
Gemeente van Jezus Christus, beste mensen,

In mijn jonge jaren ben ik nogal eens verhuisd. Ik woonde met mijn ouders en jongere broer gemiddeld twee jaar ergens en dan vertrokken we met ons hele hebben en houden weer ergens anders heen – eerst omdat mijn vader een marineman was, later omdat mijn ouders heilsofficier werden. Zo verhuisde ik van Zaandam, waar ik werd geboren, naar IJsselmuiden, van IJsselmuiden naar Hilversum, van Hilversum naar Amstelveen, van Amstelveen naar Weesp, van Weesp naar Sliedrecht, van Sliedrecht naar Middelburg, van Middelburg naar Harlingen, van Harlingen terug naar Sliedrecht, en van Sliedrecht naar Kampen, waar ik ging studeren, toen ik 19 jaar was. In iedere plaats waar ik woonde toen ik een tiener was en ook daarvoor wel, had ik vrienden gemaakt, en verhuizend van woonplaats naar woonplaats, kreeg ik er steeds meer penvrienden bij, tot ik er tegen de tijd dat ik naar Kampen verhuisde zo’n zestig had. Met een enkeling belde ik, maar anders dan het schrijven van brieven waren er geen mogelijkheden tot contact. Ik hield dat natuurlijk niet vol, met zoveel mensen, maar lange tijd vielen er brieven door de bus. Iedere keer pakte ik ze weer opgetogen van de deurmat of van de eetkamertafel, door mijn ouders daar neergelegd. Het was een kortstondige maar fijne verbinding met waar ik vandaan kwam, een herinnering aan leuke tijden met vrienden en vriendinnen die een poosje met mij waren opgelopen. Ik vond het niet heel erg om te verhuizen. Ik was meestal wel nieuwsgierig naar waar we nu weer terechtkwamen. Vaak kwamen we terecht op prachtige locaties in de binnenstad. En ik vond het ook leuk weer een nieuwe kamer in te richten. Wat ik steeds minder leuk vond, was weer een nieuwe school, weer afwachten hoe je ontvangen zou worden, hopen dat ze niet direct door zouden hebben dat mijn ouders heilsofficieren waren en daarmee verbonden: hopen dat ik daar niet mee gepest zou worden. Bij de eenzaamheid die dat soms opriep, waren de brieven een veilig en vertrouwd toevluchtsoord. Ontheemd voelde ik mij nooit echt, maar ergens echt landen lukte evenmin. Ik geloof dat het goed en heilzaam is voor mensen om van omgeving te veranderen, om te voorkomen dat je al te zeer samenvalt met een plek en gaat denken dat dat de hele wereld is en eigenlijk ook de beste. Ik landde dan wel niet echt – altijd klaar om weer verder te trekken –, maar ik leerde wel snel te aarden, contact te leggen met verschillende mensen, te ervaren dat je als mens niet aan een plek gebonden bent en dat je overal de draad weer op kunt pakken. Tegelijkertijd is het goed de bijna onmerkbare vervreemding die dit tot gevolg heeft, ook niet te onderschatten. Als gezin waren we natuurlijk geen vreemden voor anderen en zo voelden we ons ook niet, maar als je zo vaak verhuist raak je ook steeds meer op elkaar aangewezen en op elkaar gericht, en kun je ongemerkt toch een kleine bubbel worden. Nu denk ik ook: ja, van omgeving veranderen is goed en heilzaam, maar als kind, als tiener zo vaak verhuizen, maakt je ook tot een ontworteld mens dat eigenlijk van geen enkele plek kan zeggen: dat is mijn thuis. Dat is waar ik vandaan kom. Daar ben ik echt mezelf. Dat is een plek die aan me trekt, waar ik ook ben. Dat is waar ik steeds weer naar terug wil keren. Je kunt aan me zien en horen dat ik daar vandaan kom. Aan die plek, aan de mensen daar, ontleen ik mijn identiteit. Als iemand mij nu vraagt: waar kom je vandaan? Dan antwoord ik: overal en nergens. In fragmenten vond ik wie ik was, waar ik vandaan kwam, in de vele brieven die ik in elke nieuwe woonplaats van vrienden en vriendinnen kreeg. Toen ik vanuit Kampen verhuisde, heb ik al die brieven nog eens doorgenomen. De meest dierbare heb ik gebundeld, er een strik omgedaan, ze opgeborgen in een mooie doos. Naast de herinneringen aan het verleden hebben de woorden in die brieven me ongemerkt vast ook geholpen, weer een nieuwe plek te omarmen.

Brieven. Onder u zijn er ook vast die ze hebben: bewaarde brieven. Brieven van een dierbare vriend of vriendin. Brieven van een geliefde. Brieven verstuurd vanaf andere continenten door geëmigreerde familie. Brieven van een pastor misschien. Brieven die je niet weg kunt gooien, omdat het door hun inhoud waardepapieren zijn geworden. Brieven die je bij ontvangst aan je hart gehouden hebt, omdat er een verbinding in werd gelegd die je even optilde, die je troostten, die even maakten dat je je niet alleen voelde, die heel even een onmetelijke afstand overbrugden, brieven die hoop gaven, waardoor je zeker wist: het komt goed.

Een hele persoonlijke brief is de brief waarvan we de inhoud zojuist hebben vernomen, niet, maar hij past zeker wel in de categorie te bewaren brieven. De brief wordt ontvangen door een groep mensen die van huis en haard verdreven zijn, die nog wel een plek hebben ergens, die hen ooit beloofd was, die zij als de hunne mochten aannemen, waar generatie na generatie opgroeide, leefde, woonde, werkte, maar waar geen steen meer op de andere staat. Geen muren meer die beschermen, geen huizen meer, een dak boven wat hoofden, geen paleis meer van waaruit overzien kan worden dat recht wordt gedaan, geen plek waar God te midden van de mensen kan wonen. De brief komt aan in wat de elite was van Jeruzalem en Juda, én de handwerkslieden en de smeden – bijna terloops genoemd, maar misschien nog wel belangrijker dan de vorsten en de oudsten en de priesters…. De wereldmacht waardoor zij onder de voeten gelopen waren, maakte er een gewoonte van de bovenlaag van overwonnen volken niet om te brengen of tot slaaf te maken, maar weg te voeren, naar het centrum van de macht, waar hen een redelijk bestaan werd geboden, maar waar ze ook goed in de gaten gehouden konden worden. Vergeleken met wat er gebruikelijk was, waren ze er dus nog goed vanaf gekomen. Maar ja, wat heet goed, als je alles kwijt bent, niet alleen dat wat je had: je bezittingen, je status, maar ook wie je was, wie je samen was? Wat heet goed, als je je verlaten voelt, zelfs door God, die ook op de puinhopen lijkt te zijn achtergebleven. Wat heet goed, als je de ziel mist in de samenhang die er ooit was, als je je vervreemdt voelt, alsof alles in de lucht hangt. Je leeft wel, maar je leeft niet – zeg maar. En je weet ook niet hoe lang het allemaal nog gaat duren, of er ooit wel een einde aan komt. Midden in die verlatenheid arriveert een brief.

De brief opent het deel van het boek Jeremia dat de profetieën als zodanig achter zich laat en dat met de inhoud van die brief een hele andere toon aanslaat. Voordat we bij de inhoud aankomen, wordt omstandig uitgelegd hoe de brief in Babel is bezorgd, waarschijnlijk om het belang ervan te onderstrepen. Het is niet zomaar een brief, maar een hele officiële, bezorgd door een gezant, een brief door God gedicteerd aan Jeremia die in Jeruzalem blijkt te zijn achtergebleven, of misschien in Anatot waar hij vandaan kwam. Midden in de vervreemding, in de ballingschap komt God zijn volk tegemoet, maar dat doet Hij misschien toch niet zoals je misschien zou verwachten. De brief maakt duidelijk: God is met zijn volk in den vreemde – dat is al een enorme troost – maar niet om ze daar direct uit te halen. God vraagt zijn mensen los te laten, anders naar hun situatie te gaan kijken, niet meer ‘on hold’ te leven, niet om te zien, en ook niet te piekeren over de toekomst, de vraag te stellen waar het allemaal uit loopt, maar te omarmen, sterker nog: zich voor die nieuwe werkelijkheid in te spannen, die tot bloei te laten komen.

‘Bouw huizen en ga daarin wonen, leg tuinen aan en eet van de opbrengst, ga huwelijken aan en verwek zonen en dochters, zoek vrouwen voor je zonen en huw je dochters uit, zodat zij zonen en dochters baren. Jullie moeten in aantal toenemen, niet afnemen. Bid tot de EEUWIGE voor de stad waarheen Ik jullie weggevoerd heb en zet je in voor haar voorspoed en vrede, want de voorspoed van de stad is ook jullie voorspoed.’
Ik kan me voorstellen dat dit niet direct de woorden waren waarop de ballingen zaten te wachten. Je schikken in de situatie van een ballingschap? Leven alsof je geen verleden hebt gehad? De samenleving en de mensen omarmen die alles wat jij had, te gronde hebben gericht? Je voor hun toekomst inzetten? Is dit het ‘bouwen en planten’ waar God het over had toen Hij Jeremia riep? Waar de woorden ‘voorspoed en vrede’ staan in vers 7 staat in het Hebreeuws ‘shalom’. Datzelfde geldt voor het woord ‘geluk’ in vers 11. Misschien hebben de Bijbelvertalers wel voor deze verschillende vertalingen gekozen om de reikwijdte te benadrukken van wat God wil voor zijn ballingen te midden van de volken, van wat Gods bedoelingen zijn. Gods omvattende vrede is niet exclusief gebonden aan Jeruzalem en aan de tempel. Hij is daar waar zijn mensen zijn en waar die zijn, kan hun aanwezigheid zich niet beperken tot de eigen kring. Dat is Godsonmogelijk. Dat wel proberen zal het einde zijn van die eigen kring. Het geluk dat God voor ogen heeft voor zijn volk, waar Hij naar om blijft zien, kan niet anders dan langs de weg van het geluk van de volken. Het is voor de kleine groep ballingen een risicovolle onderneming. Wat blijft er van je over als jouw geluk het geluk van je omgeving is? Verdwijn je dan niet helemaal? Wordt je niet opgeslokt door en in het vreemde? We weten het niet, want het staat nergens, maar ik kan me voorstellen dat de ballingen zich dit soort vragen wel hebben gesteld, om uiteindelijk steeds weer in diezelfde brief te lezen dat God zijn belofte gestand zal doen en de ballingen na zeventig jaar terug zal laten keren naar Jeruzalem. Omdat de ballingen dán opnieuw zullen weten hoe ze God kunnen aanroepen, hoe ze tot God kunnen bidden, waar ze God moeten zoeken.

De brief die de ballingen ontvangen, is een brief die hoop geeft, die verlichting brengt, omdat het een brief is die de belofte van Gods trouw bevestigt. Maar het is ook een brief die uitnodigt, die oproept tot transitie. De ballingschap, het verblijf in den vreemde, de vervreemding, het is moeilijk, het is eigenlijk niet te doen, maar wie op het verleden blijft staren, wie zoekt naar de rol van het slachtoffer, wie naar binnen gericht is om te behouden wat er te behouden valt, die vergeet wat het is om ‘te bouwen en te planten’, die vergeet dat een plek, een gemeenschap, nooit los verkregen wordt, maar in een omgeving bestaat, en dat zeker geloofsgemeenschappen alleen maar kunnen floreren, als die omgeving wordt gezien, daar voor wordt gebeden en er simpelweg al door er te zijn, wordt bijdragen aan haar geluk. God gelooft dat het de kleine groep ballingen in het grote Babel zal gaan lukken.

God gelooft ook dat het ons zal lukken. Nee, wij zijn geen kleine afgevoerde gemeenschap in een vijandige omgeving, maar er is wel degelijk een parallel te trekken tussen de vervreemding die de ballingen moeten hebben ervaren en de vervreemding die je als kerk, als geloofsgemeenschap kunt ervaren in deze tijd. Onze taal en onze gebruiken hebben ons gaandeweg geïsoleerd van een zich om ons heen veranderende omgeving, waarin die taal en gebruiken steeds minder gingen betekenen en nu door mensen buiten de kerk op z’n best met een meewarige welwillendheid worden gehoord en bekeken. En soms kijken we er ook zelf vreemd tegenaan: zijn dit onze woorden en dit onze gebruiken? En waar verwijzen die eigenlijk naar? Bonhoeffer had, toen hij de brief schreef waar we een stukje uit gehoord hebben, gehoopt dat er een inmiddels gelouterde kerk zou zijn, gelouterd door de vervreemding van het opkomende nationaalsocialisme en de Tweede Wereldoorlog, die had veroorzaakt dat alle grote woorden uit de christelijke traditie betekenisloos waren geworden of tenminste opnieuw uitgevonden zouden moeten worden, net als de kerk zelf. Het is niet gebeurd na de oorlog, omdat de kerk, de kerken zich in eerste instantie konden herstellen tot wat zij voor de oorlog waren. Er was nauwelijks ruimte voor echte vernieuwing. Wat hersteld was, vermolmde al snel, tot waar wij nu zijn, niet echt in staat in een volkomen geseculariseerde omgeving het evangelie anders maar evenzeer een kracht tot verlossing en bevrijding te laten zijn. Voor alle duidelijkheid: als ik er helemaal geen heil in zag, dan stond ik hier nu niet als uw dominee, maar zeker in de Veertigdagentijd moeten we niet voor de ernst van deze zaak, deze ballingschap van de kerk, weglopen. Er is sprake van een diepe verstaanscrisis, de afstand tot de christelijke traditie is groot geworden, zelfs binnen de kerk. We lijken in een proces te zitten dat onomkeerbaar is, dat een tragisch karakter heeft waaraan we niet lijken te kunnen ontkomen. Juist om de kerk en hoe het gaat, om hoe wij proberen gemeenschap te zijn met elkaar, stellen we elkaar geregeld de vraag: waar loopt dit allemaal op uit? Bonhoeffer ziet de belofte verscholen in zijn petekind dat gedoopt zal worden, een van de eersten van een naoorlogse generatie die de dingen anders zal doen. Wij ontvangen vandaag met de ballingen in Babel een belofte in een brief die ook ons op het hart wil binden dat het goed zal komen, in de hoop dat ook wij zullen blijven bidden en het goede zullen doen, niet voor onszelf, maar voor waar wij in en om bestaan: om de voorspoed en het geluk van de wereld die wij om ons heen vinden, wij als individuele gelovigen en wij als geloofsgemeenschap, om in die wereld de vrede te stichten die God ons in Jezus Christus heeft geschonken, de vrede van een rijk en van een tijd die alleen nog weet van vrijheid, van liefde en van leven.

Amen

18 feb

Eerste zondag van de Veertigdagentijd

ds. Wielie Elhorst

Lezingen: Jeremia 1:4-18 en Marcus 1:12-15

Gemeente van Jezus Christus, beste mensen,

Soms passeren er films die je onthoudt. Zo’n film was voor mij ‘Don’t Look Up!’, wat letterlijk vertaald ‘Kijk niet naar boven!’ betekent. De film kwam in 2021 uit. Ik weet niet zo goed meer, wanneer deze film in Nederland te zien was, maar het moet om en nabij het aflopen van de coronajaren zijn geweest. Het is nog maar een paar jaar geleden, maar we lijken alweer bijna vergeten hoe een virus de hele wereld in z’n greep hield. Die ervaring zal mijn beleving van deze film ongetwijfeld mede bepaald hebben. De film gaat ook over een gebeurtenis die de hele wereld bedreigt. Twee astronomen ontdekken en maken bekend dat er er een komeet op aarde afsuist die de aarde op haar baan zal raken en die een zeker einde van de mensheid zal betekenen, als er niet wordt ingegrepen. Er zijn meer van dit soort rampenfilms, vooral Amerikaanse, met aardbevingen en tsunami’s, en natuurlijk ook met aliens die het niet echt met de mensheid op blijken te hebben. Doorgaans lijkt het in die films eerst slecht af te lopen, maar dan herpakt de mensheid dan wel het Amerikaanse volk zich en wordt de ramp afgewend, worden de aliens verslagen en is het niet afgelopen met ons, maar is er weer hoop. Zo niet in ‘Don’t Look Up!’ In eerste instantie lijkt de boodschap van de twee astronomen serieus te worden genomen. Ze worden uitgenodigd in een populaire nieuwsshow, waar zij hun verhaal mogen doen. In de scènes die dan volgen, is al te zien dat dit verhaal, deze film niet volgens het gebruikelijke schema ‘mensheid overwint alle tegenslag’ zal verlopen. De wijze waarop het gesprek wordt gevoerd, is vervreemdend en herkenbaar tegelijk. In de nieuwsshow blijkt niet de inhoud maar het format van de show het laatste woord te hebben. Het concept is niet ‘info’ maar ‘infotainment’. Alle nieuws mag worden gedeeld, maar het moet steeds van een laklaagje humor worden voorzien. Nieuws alleen houdt de kijkers niet vast, nieuws waar je ook een beetje bij kunt lachen, wel. En dat is dan weer goed voor de bedrijven die het programma met hun sponsorgeld in de lucht houden. Je ziet de astronomen wit wegtrekken, als zij doorkrijgen dat hun boodschap eigenlijk niet wordt gehoord. Niet veel later zitten ze in het Witte Huis, in de ‘Oval Office’ met de president die inmiddels lijkt te hebben geleerd dat ‘feiten’ niet het laatste woord hoeven te hebben. ‘Facts’ kunnen worden vervangen door ‘alternative facts’, ‘alternatieve feiten’ en dan ziet de werkelijkheid er gelijk een stuk minder dreigend uit. Dat moet ook, want anders kunnen de volgende verkiezingen wel eens slecht uitpakken. Weer geloven de astronomen niet wat ze zien en horen. Ook de leider van hun land is niet geïnteresseerd. ‘Don’t Look Up!’ is satire, maar het is wel satire die herkenning oproept, hoe vervreemdend het ook wordt gepresenteerd. Zolang een dreiging niet werkelijk zichtbaar wordt of aan den lijve wordt ondervonden, lijkt negeren de meest gekozen optie, of de feiten anders presenteren, of de feiten betwijfelen omdat er vast mee geknoeid is, of de boodschapper demoniseren, of de werkelijkheid buiten de deur houden. In de film wordt nog wel een poging ondernomen om de aarde te redden, maar daarbij is de prioriteit niet bij de kennis van de relevante wetenschappers gelegd, maar bij het grote geld van een Executive in de valse veronderstelling dat ‘veel geld’ ook ‘grote expertise’ betekent. Het gaat mis. Het is te laat. Als de komeet zichtbaar wordt voor het blote oog, wordt de chaos steeds groter en uiteindelijk voltrekt de ramp zich, waar de twee astronomen de wereld voor probeerden te waarschuwen. ‘Don’t Look Up!’ is bepaald geen ‘feel good movie’ en ligt naar mijn gevoel gevaarlijk dicht tegen de werkelijkheid aan, tegen de werkelijkheid van wie mensen zijn en hoe zij omgaan met de boodschappen die zij krijgen.

Elke samenleving kent mensen met vermogen tot onderscheid, mensen die de tijden doorzien, mensen die spreken met verstand van zaken, ook door eigen ervaring gevoed, mensen met lef die hun mond opendoen en die geen ‘sound bytes’ produceren, maar woorden spreken die verschil maken, en die dat doen om geen enkel ander belang dan de samenleving zelf. Die mensen kunnen trouwens ook groepen zijn of organisaties. En meestal zijn dat mensen, groepen of organisaties die zich niet profileren ten koste van anderen. En meestal zien we pas achteraf wat zij allang zagen. Heel erg veel zijn het er niet trouwens, als we tenminste kijken naar het soort mensen dat samenlevingsbrede ontwikkelingen adresseert en daarbij ‘the spotlights’ niet vermijdt. Natuurlijk zijn er de grote namen, zoals Dietrich Bonhoeffer, Mahatma Gandhi, ds. Martin Luther King, bisschop Oscar Romero – wie kent hem nog? – en aartsbisschop Desmond Tutu. Ook zag ik het in een diep ontroerend gebed dat de theologe Dorothee Sölle en ds. Beyers Naudé samen op tv uitspraken na een indringend gesprek met elkaar over de samenleving van toen, die beheerst werd door de Koude Oorlog en een huiveringwekkende wapenwedloop. En in Nederland denk ik aan mensen als ds. Alje Klamer en pater Jan van Kilsdonk en in deze tijd aan mensen als dr. Gloria Wekker en Anja Meulenbelt. En ik denk aan Greta Thunberg en de mensen van Extinction Rebellion en Christian Climate Action die de meest urgente kwestie van het klimaat adresseren. Noem ik een naam of een groep die u enigszins tegen de haren instrijkt? Dan bevestigt dat hun vermogen tot onderscheid. Meestal is dat namelijk de oorzaak van een boodschap die we liever niet horen, een ‘inconvenient truth’, een ‘ongemakkelijke waarheid’ om het met de Amerikaanse klimaatactivist Al Gore te zeggen. Stuk voor stuk gaat het hier om mensen die het aandurven, liever gezegd: die niet anders kunnen dan zeggen waar het met de wereld, met het samenleven, met de mensen op uitloopt, zónder dat zij vervallen in doemdenken, of erger nog: in cynisme. Zo iemand is ook de profeet Jeremia, die trouwens nauwelijks ouder was dan Greta Thunberg, toen hij met vermogen tot onderscheid begon te spreken tot de mensen in Juda en Jeruzalem.

Jeremia is afkomstig uit een geslacht van priesters. Door zijn geboorte heeft hij al een bepaalde voorsprong. Niet dat dat een garantie is, maar in zijn geval heeft dat waarschijnlijk de basis gelegd voor kennis van zaken waar het gaat om de religieuze en de sociaal-economische verhoudingen in zijn tijd en land. En misschien heeft zijn jonge leeftijd ook wel geholpen bij zijn scherpe blik. Nog niet in beslag genomen door belangen, vrij nog, nog niet vastgeroest in geïnstitutionaliseerde overtuigingen, geen speler in een al dan niet religieus-politiek steekspel, weet hij – zoals jongeren dat wel vaker kunnen – de vinger op de zere plek te leggen en genadeloos bloot te leggen waar precies de pijn zit. Jongeren doorzien op eigen wijze de tijden en het is eigenlijk jammer dat wij niet meer ons oor bij hen te luisteren leggen. Aan het begin van het Bijbelboek Jeremia wordt duidelijk gemaakt dat dit vermogen tot onderscheid waarover de jonge Jeremia beschikt, in de allereerste plaats een gave, een geschenk is, van God, en dat Jeremia door God zelf geroepen wordt zijn vermogen tot onderscheid in te zetten om de mensen van Juda en Jeruzalem te waarschuwen voor waar het allemaal op uit kan lopen én hen evenzeer voor te houden waar het ondanks alles uiteindelijk op uit kan lopen. Jeremia wil het helemaal niet. ‘Ja maar, ik ben toch veel te jong,’ probeert hij. Maar God beroert hem en hij wordt door de woorden van de Eeuwige volledig in beslag genomen. Aan wie hij voor God al was nog vóór hij werd geboren, kan Jeremia geen weerstand bieden. Zijn woorden spreken, doen wat moet gedaan, is hij aan zijn hoge stand verplicht, aan de hoge stand van zijn afkomst, maar aan de hoge stand van wie een geroepene is in de allereerste plaats. Als God roept, ontkomt niemand daaraan, niet omdat er sprake is van dwang en ook niet omdat de woorden direct overtuigen, maar omdat God nooit een roepende is in de woestijn en zijn woorden raken, beroeren en beweging tot stand brengen. En zo vergaat het ook Jeremia. ‘Ik ben gevangen in zijn stem, mijn leven spreekt alleen van Hem, mijn God; Hij zit mij in het bloed. Dat maakt mijn leven bitterzoet’ – met de woorden van het laatste couplet van het lied dat we als antwoordlied bij de lezing uit Jeremia zongen.

Hoe onweerstaanbaar Gods roeping ook is, God drukt Jeremia niets door de strot – om het zo maar eens te zeggen. Jeremia is volop betrokken, alleen al omdat hij zelf ook te maken zal krijgen met de gevolgen van Gods woorden over Juda en Jeruzalem. God legt daarom uit en in het verhaal van de roeping van de jonge profeet doet Hij dat bijzonder beeldend en blijkt zijn boodschap niet een enkelvoudig hard oordeel waaraan niets meer te veranderen is, alsof het in steen gehouwen is. God laat zien waar het op uit kán lopen, niet waar het op uit móét lopen. Als God Jeremia’s angst niet direct weg kan nemen spreekt Hij in beelden. Hij vraagt aan Jeremia: wat zie je? Jeremia ziet een amandeltwijg. De amandelboom is de eerste lentebloeier, ook in Anatot, waar Jeremia woont. De bloei drukt belofte uit van nieuw leven en daar is de amandelboom met zijn bloesem ook het symbool van geworden. Heel bekend is de amandelboom die Vincent van Gogh heeft geschilderd. Hij schilderde het als een cadeau voor zijn broer Theo en diens vrouw Jo, die een zoon hadden gekregen: Vincent Willem. U ziet het schilderij op de beamer. Het is een dierbaar bezit geworden van de familie Van Gogh, en het is al de hele dienst te zien om met een eigen zeggingskracht te verbeelden, die ons belofte voorhoudt bij alle ernstige vragen die de Veertigdagentijd, die onze tijd aan ons stelt en die wij nu ook toe willen laten. Waar loopt het allemaal op uit? De bloeiende amandeltwijg is de stille getuige van wat zeker komt.

Het is niet het enige beeld dat God de revue laat passeren. Weer vraagt God: wat zie je? Dan ziet Jeremia ook een gloeiend hete kookpot, die overhelt en waar de hete inhoud uit dreigt te stromen. Dit beeld behoeft weinig nadere uitleg. De vernietigende kracht is duidelijk. Als de pot werkelijk overhelt, zal niets in de baan van de kokende inhoud overeind blijven. Een gruwelijk beeld. Jeremia zegt niet veel meer. Dat je je bij zo’n beeld enigszins uit het veld geslagen voelt, lijkt mij voorstelbaar. En alsof God Jeremia aanvoelt in de angstige gevoelens bij wat hem te wachten staat, presenteert hij een derde beeld: dat van een bronzen muur dat Jeremia zal beschermen, als iedereen over hem heen valt. Kregen de astronomen uit ‘Don’t Look Up’ vooral met mensen te maken die op allerlei manieren wegkeken, de boodschap van Jeremia zal dusdanig zijn dat hij met weerstand te maken zal krijgen, mensen die hem naar het leven staan, die zich met zijn boodschap in hun manier van leven en in hun belangen geprovoceerd zien. De prijs is hoog, maar God zal Jeremia redden.

Het verhaal van de roeping van Jeremia maakt geen gewag van het antwoord van de jonge man. De roeping blijkt een gegeven als we verder lezen. Jeremia vangt zijn werk aan, niet alleen als de boodschapper van Gods woord, maar net zo goed als de pleitbezorger van zijn mensen jegens God. Tijdens het avondgebed op Aswoensdag hebben we daar kennis van genomen in een emotioneel tweegesprek tussen God en Jeremia in hoofdstuk 14 van het profetenboek. Jeremia, zozeer ook onderdeel van zijn samenleving, zijn cultuur, zijn volk, kan niet anders dan steeds weer voorhouden waar het op uit zal lopen, als er niets verandert, als zijn volk het bij andere goden zal blijven zoeken, en erger nog: als zij de zorg van hen die op hen aangewezen zijn, blijven veronachtzamen. Maar hij blijft eveneens bij God bepleiten dat Hij zich ooit met huid en haar aan dit volk heeft verbonden en dat dat ook betekenis mag, nee, zou moeten hebben voor waar het allemaal op uitloopt. Het vermogen tot onderscheid waar Jeremia over beschikt en dat nu in dienst staat van God, werkt twee kanten op. Geroepen zijn betekent niet dat je alleen maar woorden over mensen staat uit storten. Om de kracht van die woorden moet je steeds weer afstemmen. Het vraagt er steeds opnieuw om de tijden en de mensen te doorzien, in de hoop dat de boodschap beroert, dat die mensen raakt, dat die een hele samenleving in het hart treft en er zo beweging komt. Het vraagt steeds weer om afstemming twee kanten op: God steeds weer onderscheidend te horen en de mensen steeds weer onderscheidend te zien. En dat moet, omdat God zelf nooit opgeeft, blijft hopen op mensen die naar zijn bedoelingen willen leven en samenleven.

Waar loopt het allemaal op uit? Jeremia, de geroepene, de profeet, een mens met vermogen tot onderscheid houdt het zijn volk voor, in de woorden en de beelden die God hem in mond en ogen legt: de amandeltwijg en de kookpot. Wordt het de belofte van een nieuw begin of komt alles teneinde? Waar loopt het allemaal op uit? Jeremia houdt het ook ons voor de komende weken, de opties. Er is wel één groot verschil. Wij zijn niet beter dan wie dan ook, schuldig onderdeel als wij zelf ook zijn van een samenleving die onder druk staat, omdat we de aarde uitputten, omdat we leven ten koste van anderen, omdat we geen einde maken aan onrecht, omdat we mensen buitensluiten, omdat we steeds weer grijpen naar wapens, maar wij weten ook van een boodschap van leven dat het laatste woord kreeg. Zelfs als die kookpot omgaat, en zelfs al is dat ook door ons toedoen, dan zal dat toch niet het einde zijn, en breekt er dwars door de ondergang toch een amandeltwijg, die bloeit. Het is bijna niet te geloven. Nog aan het begin van de Veertigdagentijd mogen we dat al zeggen, al belijden: zo zeker als de amandelboom bloeit in de lente, zo zeker is de belofte van leven, van vernieuwd leven, nu al. Dat geloven we, omdat er ooit een mens naar Gods hart uit de woestijn vandaan kwam, die zei: mensen, het rijk van God, het nieuwe begin, is onder handbereik, en die dat zelf bleek te zijn, in zijn nabijheid, nu God zelf onder de mensen. Dat is waarom wij elke zondag samenkomen.

Ik hoop niet dat dit betekent dat we de vraag waar het allemaal op uitloopt, alleen voor de vorm stellen. De vraag is nog even dringend als die ooit was, ten tijde van Jeremia, ten tijde van Jezus. Het is nog altijd even noodzakelijk de vraag te stellen, zowel aan onszelf als aan de mensen, aan de wereld om ons heen, om de pijn ervan te voelen als de pijn van vasten dat niet maar voor de vorm is, maar dat het in alle hevigheid bij die vraag uit wil houden: waar loopt het in Gods Naam allemaal op uit? Wij zijn dat verplicht aan de hoge stand van onze eigen roeping, om Gods mensen en om de aarde waarop wij leven.

Amen

14 jan

Tweede zondag na Epifanie

ds. Wielie Elhorst
Lezing: Johannes 2:1-11


Gemeente van Jezus Christus, beste mensen, 

Zoals in vele dorpen en steden in Nederland, zijn ook in Amsterdam raden, commissies en tafels met een steeds groter gevoel voor urgentie bezig met de toekomst van de kerk, of in ieder geval met de toekomst van dat waar de kerk voor stond en nog altijd staat – ik zeg het liefst: met de toekomst van de verhalen die al eeuwen door diezelfde kerk worden doorverteld. Reden tot feest lijkt er inmiddels al decennialang niet meer te zijn, tenminste niet voor wat betreft het ledental van de grotere kerken, dat nog steeds afneemt, en ook niet als wij kijken naar het aantal mensen dat zich gelovig noemt. Ook dat blijft continu dalen. Ik maak op dit moment onderdeel uit van een groepje predikanten dat de ontwikkelingen in de verschillende wijkkerken en op de pioniersplekken in Amsterdam theologisch probeert te duiden. We laten ons daarbij voor het opbouwen van een referentiekader informeren door recente publicaties over de toekomst van de kerk en van het christelijk geloof. Het boek dat we nu lezen heet De toekomst van de kerk. Essay vol rouw en hoop, is in 2023 gepubliceerd en is geschreven door collega Aarnoud van der Deijl. Heel helder maar ook ongenadig beschrijft hij hoe allerlei integere en oprechte strategieën die op zichzelf vaak zeker waardevol waren, toch niet hebben gebracht wat men er van hoopte: tenminste een stagnatie van de leegloop van de kerken. Evenals ikzelf heeft deze predikant eigenlijk alleen maar meegemaakt dat mensen afscheid namen, er organisaties werden opgeheven, activiteiten gestaakt en kerkgebouwen afgestoten. Voor alle duidelijkheid: het boek van Aarnoud van der Deijl schuift niet alleen maar aan de kant. Het geeft ook perspectief, maar dan op een andere manier dan je zou verwachten. Ik kan het, inclusief de hoofdstukken over de afgewezen strategieën, u allen van harte ter lezing aanbevelen.

In onze werkelijkheid, in onze harde werkelijkheid waar niemand aan voorbij kan en -wil, we niet zo goed meer weten wat we nog kunnen doen en we al helemaal niet meer weten of het met de kerk nog beetje goed af zal lopen, vind ik de lezing uit het Evangelie naar Johannes van deze morgen een heel troostend verhaal. Nee, de lezing gaat niet over de kerk. Het is zelfs de vraag of Jezus zelf zoiets als een kerk heeft voorzien. Ik denk het eigenlijk niet. Jezus doet iets in het verhaal dat het belang van de kerk of het voortbestaan van kerken al dan niet, verre overstijgt en juist daarom voor ons als christenen van de 21e eeuw en voor onze geloofsgemeenschappen van grote waarde is. Water, heel veel water, wordt wijn, heel veel wijn, die ook nog van een uitstekende kwaliteit is en daarmee verwijst Jezus op het bruiloftsfeest waar Hij aanwezig is naar de nieuwe werkelijkheid die met Hem begonnen is en die overvloedig is. Die nieuwe werkelijkheid kent geen kerk zoals die van ons, maar wel een ‘Jezusbeweging’ die als Jezus niet anders kan dan liefhebben, helen, vergeven, verzoenen, doen opstaan, barmhartigheid betonen en recht doen, in de Naam van de Eeuwige die ‘Ik ben er’ heet. Wie dat doet en de verhalen blijft delen die er aan ten grondslag liggen, wordt zelf onderdeel van die nieuwe werkelijkheid – die werkelijkheid die mensen aantrekt en die samen gemeenschappen van geloof vormen. Ik vind dit een troostrijk verhaal bij ons geploeter vaak in de kerk om te overleven. Het verhaal laat zien waar het om gaat, en daarmee dat veel van wat we doen, eigenlijk van secundair belang is. Van primair belang is dat wijzelf en onze gemeenschap van geloof een vooruitgeschoven post van een nieuwe werkelijkheid zijn, die voor ons in Jezus niet meer weg te denken is.

Dat Jezus in het eerste teken dat Hij doet, verwijst naar de overvloedigheid van het rijk van God, kunnen we opmaken uit het feit dat Hij dat tijdens een bruiloftsfeest doet. De bruiloft wordt in de Bijbel vaak als metafoor gebruikt voor het aardse en uiteindelijk hemelse verbond tussen God en zijn volk Israël. De setting is echt niet toevallig een bruiloftsfeest, waar het eerste teken van Jezus ook nog geschiedt ‘op de derde dag’. De derde dag is de dag van de feestweek waarop bruid en bruidegom elkaar daadwerkelijk huwden. Maar ‘de derde dag’ genoemd in de openingszin van dit verhaal over Jezus’ eerste teken, verwijst hier naar het openbarende, het onthullende karakter van wat er gaat gebeuren. En als zodanig past dit verhaal dan ook goed in het rijtje verhalen in de tijd van Epifanie: het feest, de tijd waarin de spotlight op een paar gebeurtenissen staat in het bijzonder, die allemaal iets onthullen over Jezus, aan het begin van zijn leven en aan het begin van zijn werk.

Theoloog en predikant Sytze de Vries die een boekje met miniaturen over het Evangelie naar Johannes schreef, vergelijkt dit Evangelie met bladerdeeg, verwijzend naar de vaak vele lagen in de verhalen. Het gaat over veel meer dan je op het eerste gezicht denkt, en bovendien krijgen de verhalen uit dit Evangelie door al die lagen vaak een wat mysterieus karakter. Of dat ook geldt voor het verhaal over de bruiloft te Kana weet ik niet, maar verschillende perspectieven kunnen we er op basis van de gebruikte beelden zeker wel uithalen. Het perspectief van de nieuwe werkelijkheid in Jezus Christus, uitgedrukt in de overvloedige wijn en de metafoor van de bruiloft, heb ik al genoemd. De wijn echter wijst niet alleen vooruit in wat komen gaat, het verwijst ook naar het joodse volk, naar hun op een verbond met God gebaseerde samenleving die in de beelden van de Bijbel vaak als een wijngaard wordt voorgesteld. Zoals zorg voor elkaar en recht in een samenleving resulteren in vrede, veiligheid en voorspoed, zo brengt een goed verzorgde wijngaard veel druiven op, waar veel wijn van kan worden gemaakt. De wijngaard is dan ook een fijne plek om te zijn en biedt beschutting tegen de zon en tegen gevaar. Dat het verhaal inderdaad over de verhouding tot het joodse volk en de joodse traditie gaat, kan vrij gemakkelijk opgemaakt worden uit de context van het Evangelie dat zich nogal tot de joodse traditie verhoudt en dat vaak, maar niet altijd in alle scherpte. Wat Johannes vooral lijkt te willen vertellen, is dat Jezus’ volksgenoten en de vertegenwoordigers van de joodse traditie Hem niet begrepen. En dat zij ook niet zouden ‘zien’, ‘horen’ en ‘geloven’, zolang zij Jezus niet werkelijk in hun leven toe zouden laten, zolang zij zich niet zouden overgeven aan de nieuwe werkelijkheid die met Jezus was begonnen.

De verhouding tot het jodendom of de waardering daarvan, dat wil zeggen voor een bepaalde invulling daarvan, werd voor de lezers of hoorders van het Johannesevangelie in het verhaal pijnlijk duidelijk door het opvoeren van de zes stenen watervaten die, zo zegt het verhaal, voor het ‘Joodse reinigingsritueel’ bedoeld waren, maar die, zo blijkt, leeg zijn. Volgens de wet van Mozes zouden de gasten van de bruiloft bij aankomst hun handen en voeten moeten reinigen. Met deze uiterlijke wassing zouden zij dan ook innerlijk schoon, rein zijn. Maar kennelijk vindt het bruidspaar en vinden hun gasten dat niet meer nodig. De evangelist lijkt te willen zeggen: zo leeg als de stenen watervaten, zo leeg ook is de joodse traditie, is het aloude geloof geworden. Het tekort dat wordt beschreven, komt bovenop de al even pijnlijke constatering dat de wijn begint op te raken en het feest is nog niet eens halverwege, en als het ware als de vertegenwoordiger van de oude werkelijkheid, benadert Maria, Jezus’ moeder, Hem met haar ‘kyrië’ en brengt ze de pijnlijke situatie onder Jezus’ aandacht: bijna geen wijn meer, oftewel: red onze zieltogende wijngaard die niet meer is wat ze zou moeten zijn en ooit was: een plek overvloeiend van belofte in de wijn die het feest van het leven met God symboliseren. De woorden die Jezus tegen zijn moeder spreekt, zijn altijd vertaald als een reactie van ergernis - een beetje zoals mijn reactie op mijn ouders die tegen mij, acht jaar en aan de rand van het diepe in het zwembad, zeiden: spring nou maar, door mij als nogal ‘pushy’ ervaren, waarop ik hen bozig duidelijk maakte dat ze weg moesten gaan en dat ik zelf wel bepaalde of ik er klaar voor was om te springen. Mutatis mutandis: een begrijpelijke reactie van Jezus die nog maar aan het begin van zijn werk stond, maar toch ook wat in contrast met het gezag waarmee Hij daarna optreedt. Jezus’ woorden aan zijn moeder luiden letterlijk uit het Grieks vertaald: ‘Vrouw, wat is het mij en wat u?’, oftewel: wat is de betekenis hiervan voor u en het aloude geloof en wat is de betekenis hiervan voor mij? Die betekenis zal nog niet ten volle geopenbaard worden, want daarvoor is het nog niet de tijd, maar Jezus laat die betekenis wel meer dan doorschemeren met wat Hij vervolgens doet. Hij doet wat allang had moeten worden gedaan. Hij laat de zes stenen watervaten tot de rand toe vullen met water, die, hoe kan het ook anders, bij het uitscheppen wijn blijkt te zijn. Hij schuift het aloude geloof niet aan de kant, maar Hij vervult die met de vreugde waar de wet van Mozes, de Thora, om vraagt, en dat Hem uiteindelijk zijn eigen vloeiend bloed zal kosten.

Wat hier gebeurt en welke betekenis het onthult, lijkt de mensen om wie het gaat, te ontgaan. Maria, die alles wat er was gebeurd rond haar zoon in haar hart had bewaard, voelde aan dat er zich met Hem iets nieuws aandiende, maar de ceremoniemeester vraagt slechts verbaasd aan de bruidegom, niet aan Jezus, waar die fantastische wijn vandaan komt, die normaalgesproken aan het begin van het bruiloftsfeest zou zijn geschonken. Waar we in het overgrote deel van de rest van het Evangelie van Johannes dan eigenlijk alleen nog maar mensen tegenkomen die het ook niet zien, niet horen, niet begrijpen, zien we dat hier wel gebeuren, niet door de mensen dus voor wie het hele feest is opgezet, maar door de dienaren en door de leerlingen van Jezus, waar verder niemand acht op slaat: zij zien, zij weten, zij begrijpen, zij geloven – niet in het mirakel, maar in Jezus, het begin van een andere, ongekende, nieuwe werkelijkheid.

Amen