21 jan

Overweging 21 januari 2018 Oranjekerk Amsterdam ds. Jantine Heuvelink

Lezingen: 1 Sam 3: 1-10; Marcus 1: 14-20. ‘geroepen worden, gehoor geven’

 

 

Inleiding op schriftlezing

Sinds Advent bevinden we ons volgens het oecumenisch leesrooster in het B-jaar, het jaar waarin het evangelie van Marcus, het oudste evangelie, centraal staat. We lezen vandaag over het begin van het openbare optreden van Jezus, dat volgt op het optreden van Johannes die de weg voor hem baande.

Jezus verkondigt het goede nieuws en hij roept Simon, Andreas, Jakobus en Johannes. Deze vier volgen Jezus direct als hij hen roept. Ze aarzelen niet.

Datzelfde geldt voor de eerste lezing, waarin Samuel geroepen wordt. Samuel is de zoon van Hanna die lang onvruchtbaar was en aan God beloofde dat als ze zwanger zou worden, zij het kind aan God zou wijden. Zo komt het dat Samuel opgroeit in de tempel bij de priester Eli. Ook Samuel aarzelt niet als hij in de nacht geroepen wordt. Hij haast zich meteen naar Eli. Maar die heeft hem niet geroepen, wie dan wel?

 

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

 

De beide Bijbelverhalen zijn glashelder: ‘Als ik jou bij name roep, ga jij dan met mij mee?’.

Ja!

Het lijkt wel één beweging: geroepen worden, dat ís gehoor geven, en gáán!

Het gaat in de teksten van vandaag niet over aarzeling, over psychologische overwegingen of praktische bezwaren, het is alleen bij Samuel even onduidelijk wíe hem roept, maar verder is de intentie van alle geroepenen volledig: U roept, ik kom’.

 

En ik vraag mij af: hoe zijn deze verhalen herkenbaar voor ons?

Wanneer is er bij ons sprake van dat we geroepen worden en meteen gehoor geven?

 

Ik moest denken aan hoe ik met regelmaat ’s nachts één van mijn kinderen hoor roepen en dan mijn bed uitspring. En ook moest ik denken aan al die keren dat ik me geroepen voel om iemand van dienst te zien.

 

Maar, in de verhalen gaat het niet om geroepen worden door een mens, maar om God.

Hoe roept God ons en hoe geven wij gehoor aan God?

Het is terecht en eenvoudig om deze vraag te beantwoorden met: ‘God heeft geen andere handen dan onze handen en geen andere stem dan onze stem, dus een ieder die ons roept, daarin kunnen we Gods stem herkennen’.

En toch: Samuel dacht dat hij Eli hoorde, maar het was God. En ook de leerlingen werden door Jezus persoonlijk geroepen.

Is het herkenbaar voor ons dat God ons roept en wij daaraan gehoor geven?

 

2. Een paar maanden geleden ontdekte ik de website gewijderuimte.org. Het is een ‘gebedswebsite van de Jezuïeten’. De ondertitel is ‘uw dagelijks gebed online’. En als uitleg staat er ‘We nodigen je uit om in je dag een "Gewijde Ruimte" in te bouwen: tien minuten om hier en nu te bidden, terwijl je zit voor je computer, begeleid via het scherm met enkele verzen gekozen uit de Bijbellezingen van de dag.’

 

De Jezuïeten hebben zelf natuurlijk alle ervaring met dagelijks ‘gewijde ruimte’ inbouwen in hun leven en naar ik vermoed zullen ze ook wel ervaring hebben met geroepen worden en gehoor geven aan God.

 

Wat mij opvalt in hun manier van omgaan met een tekst uit de Bijbel is dat zij dat doen vanuit een biddende houding. En dat levert heel andere reacties op bij een Bijbeltekst dan vragen naar hoe dat zit met aarzelingen en praktische bezwaren.

Het gaat ineens over hoe de tekst mij aanspreekt en hoe ik daarop kan antwoorden.

 

Onder de titel ‘Enkele bedenkingen bij de lezing van vandaag’ staat bij de lezing van vandaag uit Marcus onder andere het volgende geschreven:

 

- Jezus’ oproep is eenvoudig: “Volg mij”.

Vandaag zijn zijn volgelingen de grootste gemeenschap van gelovigen op aarde.

Laat me nooit het besef verliezen hoe buitengewoon dit moment wel is.

(…)

 

En andere ‘bedenking bij de lezing van vandaag’ is deze:

 

- De uitnodiging die Petrus, Andreas, Jacobus en Johannes krijgen, is een uitnodiging tot een persoonlijke relatie met Jezus. “Volg Mij”: wees bij mij, leer mij kennen, geniet van mijn vriendschap. Maar ook, deel mijn missie. “Ik zal maken dat gij vissers van mensen wordt”: jullie zullen onderrichten en verkondigen, genezen en dienen, net als ik doe. Wat een verantwoordelijkheid! Maar ook, wat een voorrecht!

 

Twee dingen maken het moeilijk te luisteren naar hoe Jezus ieder van ons uitnodigt zijn vrienden te zijn en deel te nemen aan zijn werk. De ene moeilijkheid zijn onze beperkingen met als gevolg een gevoel van onbelangrijkheid. De tweede is dat Jezus hoog verheven is als God en dat Hij toch dezelfde Jezus is die hier op aarde rondwandelde.

Als je over deze werkelijkheid wenst te bidden, wees dan met Jezus op een rustige plek en laat Hem je eerst noemen bij je naam. Laat Hem je eerst roepen om bij Hem te zijn als zijn vriend en dan deel te nemen aan zijn werk.

(…)

 

3. Wat op deze website gebeurt, is dat elk Bijbelverhaal wordt gepresenteerd als een boodschap voor mij, voor ieder van ons persoonlijk. En daar ben ik niet zo van, van huis uit. Ik weet niet hoe het op u overkomt, maar het is mij te direct, te ‘evangelisch’ in die zin dat ik er bezwaar tegen heb dat er schijnbaar moeiteloos een tekst van toen in het nu klinkt.

En toch… ik merk de laatste maanden ook dat de tekst mij anders aanspreekt als ik de bedenkingen van deze website erbij lees. In deze vorm komt de tekst soms heel dichtbij.

De website gaat ervanuit dat er iemand is, ik bijvoorbeeld, die horen wil naar het Bijbelverhaal als woord van God, en die zich aangesproken weet en gehoor wil geven.

 

Net als bij Samuel en als bij de leerlingen is er geen aarzeling: op de roeping – de tekst - volgt de beweging van ingaan op wat gezegd is – de bedenkingen.

4. Ik stelde aan het begin de vraag hoe de Bijbelverhalen van de roeping van Samuel en de vier leerlingen herkenbaar zijn voor ons.

Het was een vraag waarop ik zelf ontkennend zou antwoorden – ik vind ze niet echt herkenbaar, want zo direct aangesproken door God, weet ik mij niet.

Maar wat als we dat wel willen zijn?

Wat als we verlangen naar een stem die ons roept en dat we daarop in kunnen gaan.

Is er dan een vorm te vinden waarin dat kan?

 

Ik denk dat deze biddende houding van de website gewijderuimte.org een vorm kan zijn. Om zo op een andere manier ons te laten aanspreken door de Bijbelse woorden.

En ook de viering op zondagmorgen is zo’n vorm.

Immers ook heel de viering gaat om geroepen worden door God, luisteren naar zijn Woord en daarop ingaan.

Zo heet het ook eigenlijk, dienst van het Woord, dat is het 1e deel van de dienst t/m de preek, en dienst van het Antwoord, dat is alles wat we in reactie op dat Woord zodadelijk zullen doen: bidden, collecteren, avondmaal vieren, uitgezonden worden in de wereld en daar elkaar ontmoeten.

 

Bij het vieren van het avondmaal klinkt heel duidelijk de roep aan ieder van ons persoonlijk: ‘komt dan want alle dingen zijn gereed’. En we gaan.

Het is geroepen worden en gehoor geven in één beweging. Het is een gewijde ruimte.

 

5. De vier Joodse vissers waren niet in een gewijde ruimte, niet in de tempel, zoals Samuel, toen ze geroepen werden. Sterker nog, ze waren er ver van vandaan, daar in Galilea, en ze deden ook heel iets anders dan God dienen. Ze oefenden hun vak uit, ze waren vissers.

Toch werd juist die situatie, dat verhaal, een teken van hoe God mensen roept in de tijd.

Een situatie waarin mensen niet zoeken naar een vorm om God te horen, maar simpelweg doen wat ze gewoon zijn te doen.

 

Geroepen worden door God en daaraan gehoor geven dat is iets wat je overkomt, waar je zelf in voorkomt, en waardoor je in beweging komt. In de nacht, of overdag, in een gewijde ruimte of terwijl je met iets anders bezig bent.

 

Zovelen gingen ons voor.

Ga maar na.

 

Amen

 

 

 

 

 

kerstmorgen

Ds. Jantine Heuvelink

‘Kerst: een open deur?!’

Lezingen: Lucas 2: 1-20 en Johannes 1: 1-5, 14-18.

 
1. Gemeente van Jezus Christus,
 
Als ik u zou vragen om mee te spelen in een kerstspel, welke rol zou u dan kiezen?
Die van Maria of Jozef, van een herder of een wijze, of liever een schaap of de ezel?

Is er iemand van u die bij uw favoriete rol, aan de figuur van Jezus denkt?
 
Dat is een aparte rol.
 
Jezus, is de centrale persoon in het kerstverhaal, maar tekst heeft hij niet. Alle anderen spreken juist over Hem.
Van Jezus is als enige duidelijk wat hij aan heeft, alhoewel dat kostuum weinig om het lijf heeft! Een paar doeken zijn het maar.
En wie de rol van Jezus speelt, heeft maar één taak: hulploos zijn.
 
Zo’n rol is wel erg basaal.
Of moeten we eerlijk zeggen: zo’n rol is wel erg hoog gegrepen voor ons?
 
Een paar van onze gemeenteleden speelden vorige week in de Levende Kerststal de rol van Jezus met verve. Zoals Elske, die werd gedoopt op 1e Advent.
 
Het profiel voor de baby Jezus-figurant zou je als volgt kunnen omschrijven:
 
Je bent gericht op het licht en wilt het met aandacht volgen
Je lacht naar ieder mens dat je ontmoet, bekend of onbekend,
Je laat je dragen door een ander die groter is dan jij.
 
2.
Met kerst vieren we dat God zichtbaar is geworden in een kwetsbaar mens, een mens die lijden kan en zal. En de ultieme verbeelding van die God-onder-mensen is een pasgeboren baby.
Het is de mens zoals we die allemaal van oorsprong ten diepste zijn: onschuldig, kwetsbaar.
Het is de mens die we allemaal kunnen worden: gericht op het licht, met open blik voor ieder die je ontmoet, bewust dat we gedragen worden door die Ene.
 
En zo roept Kerst in ons het verlangen op om de beste versie van onszelf te willen worden.
 
Toch gaat het kerstverhaal er niet om dat we als Jezus moeten worden.
De kern, het wonder, of de boodschap van kerst, is dat God mens is geworden.
 
Die rol die wij niet ambiëren en die voor ons moeilijk te spelen is: die van kwetsbaar mensenkind, afhankelijk van anderen, daarvoor kiest God, zo vertelt ons de evangelist Lucas.
 
En de evangelist Johannes vertelt dat het Woord van God mens is geworden.
De baby in de kribbe heeft weliswaar geen tekst, maar het Woord is Hem op het lijf geschreven, hij belichaamt Gods geboden.
 
Deze beide horen dus bij elkaar: het Woord van God en de kwetsbaarheid van het mens-zijn.
Met zijn leven getuigt Jezus daarvan.
 
3.
Wat mij betreft is Kerst géén open deur in de figuurlijk zin van het woord.
Dat God mens wordt, is zo tegengesteld aan een diep verankerd beeld van een hoog verheven God, dat we ons telkens voor moeten houden dat God anders is dan we denken: dichterbij, onder ons, in ons.
En dus ook: voor ons bereikbaar.
 
Kerst is de opmaat voor al die verhalen die gaan komen over wat Jezus de mensen leerde toen Hij rondtrok. De rolverdeling is helder: iedereen kan een rol krijgen.
 
Willen wij die rol ook spelen?
Kunnen we onszelf voorstellen als iemand die Jezus op zijn weg zal ontmoeten: een tollenaar, een leerling, één van de velen die komen luisteren naar deze rabbi?
Zullen we het doen als Hij ons vraagt mee te gaan?
 
Zullen we Hem herkennen als Hij ons tegemoet komt?
Kerst zet ons op het goede spoor: God is te vinden in de Ander zoals we die niet verwachten.
 
4.
Ik wil eindigen zoals ik ben begonnen: als ik u zou vragen een rol te spelen in het kerstverhaal, of in een ander verhaal van Jezus, welke rol zou u dan kiezen?
Hoe zou u Jezus willen ontmoeten?
Als herder, als wijze, als verlamde man of buitenlandse vrouw?
Misschien wilt u dat aan een ander vertellen of vragen bij de koffie straks.
 
God is mens geworden en wij mogen er zijn. Erbij zijn.
 
Het Woord was bij God en het Woord was God. (…) En het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid. (…) Niemand heeft ooit God gezien, maar de enige Zoon, die zelf God is, die aan het hart van de Vader rust, heeft hem doen kennen.
 
Halleluja.
Amen.

kerstnacht

ds. Jantine Heuvelink

‘Kerst: waar gaat dat eigenlijk over?’

Lezingen: Micha 5:1-4a; Lucas 2:1-20

 
Gemeente in de kerstnacht,
 
‘Kerst: waar gaat dat eigenlijk over?’, die vraag werd mij afgelopen week heel letterlijk gesteld. Er kwam een groep studenten op bezoek van de HvA en de docent vroeg mij in te gaan op de volgende vragen over kerst:
1. Wat is er nu eigenlijk gebeurd?
2. Wat betekent dat voor mensen in de kerk?
3. Wat zou dat kunnen betekenen voor mensen buiten de kerk?
 
Het was een leuk bezoek, dat allereerst, én ik dacht: deze vragen zijn het perfecte kader voor een kerstpreek. Dus daar gaan we:
 
Vraag 1: ‘Wat is er nu eigenlijk gebeurd?’
 
Wat er is gebeurd is dit: tweeduizend jaar geleden trok een Joodse leraar, een rabbi, rond in Israël, en hij sprak op een radicaal nieuwe, overtuigende manier over God. Hij sprak zó over God en gaf ook handen en voeten aan deze woorden dat mensen zeiden: Hij moet het zijn. Dit is de Messias, de langverwachte Redder, over wie profeten spraken en naar wie we al zo lang uitkijken.
 
De vier evangelisten, Matteus, Marcus, Lucas en Johannes hebben naderhand (rond 80 na Christus) over het leven van deze Jezus van Nazareth geschreven. In soms gelijke en soms verschillende verhalen doen zij verslag van zijn leven en zij doen dat op zo’n manier dat duidelijk wordt dat zij in hem de beloofde Messias hebben herkend.
 
Alle vier evangelisten vertellen hoe de volwassen Jezus zich liet dopen door zijn tijdgenoot Johannes de Doper, die al had gezegd: er komt iemand na mij die groter is dan ik.
 
Twee van de vier evangelisten vertellen daarvoor een verhaal over de geboorte van Jezus.
Deze twee Bijbelse kerstverhalen zijn heel verschillend: het kerstverhaal van Lucas hebben we vandaag gehoord, daarin gaat het om een bevel van keizer Augustus, wat maakt dat Maria in Betlehem bevalt en het kind in een voederbak legt en om herders die langskomen.
De evangelist Matteus vertelt een heel ander verhaal: over wijzen uit het Oosten die het koningskind in Betlehem bezoeken en Jozef die in een droom gewaarschuwd wordt te vluchten voor koning Herodes die alle kleine jongetjes wil vermoorden uit angst voor concurrentie van die andere pasgeboren koning van de Joden.
 
Wat beide kerstverhalen doen is dit: ze laten de betekenis die Jezus heeft voor de wereld niet in het midden en ze laten de komst van deze Messias niet zomaar uit de lucht vallen.
Ze vertellen een verhaal over waar Jezus vandaan komt en vullen dat verhaal in met wat zij weten uit de oude verhalen over de Messias.
Zo is de geboorteplaats van Jezus natuurlijk Bethlehem: dat heeft de profeet Micha immers eeuwen eerder al aangekondigd: ‘Luister, Betlehem in Efrata. Jij bent één van de kleinste steden van Juda. Toch zal er uit Betlehem iemand komen die namens mij leider zal zijn van Israël’. (Micha 5: 1)
En Jezus stamt af van koning David, zoals de profeet Jesaja (11:1) heeft voorzegd.
En ook andere volken komen hem aanbidden, zoals in Psalm 72 staat.
 
De kerstverhalen vertellen niet wat er is gebeurd in het jaar nul, ze vertellen veel grotere dingen over Jezus, nl. dat Hij de beloofde Messias is, dat in Hem God zichtbaar is geworden onder mensen en dat Hij daarmee de vervulling is van een belofte van eeuwen.
 
Vraag 2: ‘Wat betekent dat voor mensen in de kerk?’
 
Dat betekent dat we in de kerk met kerst stil staan bij deze bijzondere gebeurtenis, dat God op aarde zichtbaar is geworden in een mens. Een mens kwetsbaar zoals wij. En dat is wonderlijk en confronterend tegelijk.
 
Voor de geboorteverhalen geldt hetzelfde als voor het hele evangelie: het is een wonder dat God in Jezus zo dichtbij komt in ons menselijk bestaan en tegelijkertijd is er een schrikbarend verschil tussen hoe de wereld in elkaar zit en hoe Jezus laat zien wat het is om mens te zijn.
 
Zoals in het kerstverhaal volgens Lucas:
Wat is dat voor een maatschappij waarin je omwille van de juiste papieren het halve land moet doorkruisen ook als je hoogzwanger bent, waarbij het je dan ook nog kan overkomen dat je min of meer op straat bevallen moet en blij mag zijn dat je je kind nog in een voederbak voor dieren kunt neerleggen?
 
We kunnen in dit verhaal herkennen wat vandaag de dag ook honderden, duizenden mensen in Amsterdam overkomt, zoals de vluchtelingengroep We Are Here waar we vandaag voor collecteren: dit zijn jonge mensen, twintigers, dertigers, die de dictatuur in Eritrea ontvluchtten, maar hier de juiste papieren niet hebben. Ze trekken nu al jaren van gebouw naar gebouw, kunnen niet terug maar bouwen ook niets op.
 
Deze mensen worden het slachtoffer van machthebbers in hun eigen land en regels in hun nieuwe land.
Net zo beginnen de kerstverhalen: er zijn geen geldige papieren, de machthebber ziet de mensen liever gaan dan komen, voor dit mensenkind is geen plaats.
 
Maar deze Redder van mensen, het kerstkind, vertelt vanaf het begin een ander verhaal: mensen zonder macht en status, buitenstaanders, zijn als eerste getuige van deze nieuwgeboren koning: herders en wijzen uit het Oosten staan vooraan. En ook later is iedereen welkom in de kring van Jezus. Want zo gaat dat bij God.
 
Wonderlijk dat het zo zit: dat met kerst zichtbaar wordt dat de kwetsbaarheid van ieder mensenkind die eigen is aan ons diepste wezen, eigen is aan God.
 
Dat wat geen schijn van kans heeft in de maatschappij: ieder die afhankelijk is van anderen, geen status heeft, geen eigen plek – daar is God te vinden.
 
Vraag 3. Wat zou dat kunnen betekenen voor mensen buiten de kerk?
 
Ik denk hetzelfde als voor mensen in de kerk.
Voor ons allemaal kan het betekenen dat kerst vooral vragen in ons oproept bij alles wat we vandaag de dag zien als nastrevenswaardig en indrukwekkend.
Niet al het goud wat er blinkt moet onze aandacht trekken, maar Wie een bron van hoop is voor zoveel mensen, Hem moeten we ons goud brengen. Laten we deze God onder mensen die we kunnen ontmoeten in een Ander, geven wat wij te bieden hebben, het beste van onszelf: medemenselijkheid, kijken zonder oordeel, onze kracht om ons met anderen te verbinden.
 
Het kindje in de kribbe in doeken gewikkeld toont ons de naakte mens die wij zijn, kwetsbaar geboren, en bij het sterven hebben we niet veel meer om het lijf.
Maar we zijn wel iemand!
Jezus heeft in een paar jaar tijd voor vele mensen de ogen geopend voor God die niet te vinden is op de plekken waar we op onze tenen moeten lopen, bang moeten zijn, mogelijk niet welkom zijn. Deze God is te vinden waar je Hem niet verwacht:  in een pasgeboren kind, tussen buitenstaanders, in een stal.  
Dus of we met kerst nu God zoeken, of de Ander of onszelf, we moeten het misschien wel ergens anders zoeken dan we tot nu toe dachten – simpeler, minder pretentieus, dichterbij onszelf.
 
Zie Jezus.
 
Amen.


3 dec

1e Advent

ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Psalm 24: 7-10; Matteüs 21: 1-9 en Lied 435


Legende en overweging

 
Inleiding op de Schriftlezingen met lezing Psalm 24: 7-10

Vandaag op 1e Advent lezen we volgens het Luthers Leesrooster uit het evangelie van Matteus over de intocht van Jezus in Jeruzalem. Huh, zult u wellicht denken, dat is toch de tekst van Palmpasen?
Ja dat klopt inderdaad. Met Palmpasen lezen we die tekst. Maar Luther liet deze tekst ook op 1e Advent lezen, dus op de eerste zondag van het nieuwe kerkelijk jaar. En natuurlijk had hij daar goede redenen voor. Twee keer per jaar gaat met deze lezing voor ons de poort open (de deur) en zien we het voor ons - de beloftevolle intocht van een zachtmoedige koning, die op zal komen voor de mensen zonder macht. Hij die was, die is en die komt.
 
Bij deze lezing uit Matteus hoort psalm 24, ik lees u daaruit de laatste verzen:
Hef, o poorten, uw hoofden omhoog, verhef u, aloude ingangen:
de koning vol majesteit wil binnengaan.
Wie is die koning vol majesteit?
De HEER, machtig en heldhaftig, de HEER, heldhaftig in de strijd.
 
Hef, o poorten, uw hoofden omhoog, verhef ze, aloude ingangen:
de koning vol majesteit wil binnengaan.
Wie is hij, die koning vol majesteit?
De HEER van de hemelse machten, hij is de koning vol majesteit.
 
Deze psalm 24 en de lezing van de intocht in Jeruzalem komen terug in het lied ‘Hef op uw hoofden, poorten wijd’. Over de oorsprong van dat lied bestaat een legende, die ik u zo wil vertellen. Eerst horen we nu Matteus 21. Liesbeth Buitink zal voor ons lezen.
 
Legende ‘Macht hoch die Tür’

In het liedboek kunt u bij lied 435 dat we net zongen, lezen dat de tekst een vertaling is van het lied ‘Macht hoch die Tür, die Tor macht weit’. Georg Weissel, een Duitse predikant, schreef dit adventslied in 1623. Hij schreef het lied in aansluiting op psalm 24 voor de feestelijke inwijding van een nieuw ingerichte kerk op 2e Advent.

Een legende brengt dit lied van Georg Weissel in verband met een rijke koopman, meneer Sturgis. Mijn Duitse collega predikant Christina Ehring wees mij op dit wijd verbreide verhaal. Het gaat zo:
De rijke koopman Sturgis bezit een groot landgoed en hij krijgt op een dag de kans het grote stuk land dat er naast ligt erbij te kopen. Wat hem stoort is dat er dagelijks mensen uit het armenhuis over dat stuk land lopen op weg naar de stad. Geen gezicht is dat. Sturgis wil het niet langer zien. Nu hij de eigenaar is van dat land besluit hij daarom daar een park aan te leggen met een muur eromheen. Er moeten twee poorten in, die enkel open gaan als Sturgis erdoor naar buiten wil gaan.
 
Een week later is de muur klaar. Als de armen uit het armenhuis aan komen lopen op weg naar de stad, zien ze dat ze niet verder kunnen door die muur. Ze zullen om moeten lopen.

Of nee, wacht er is een poort! O nee, die zit dicht…
 
Even later komt de dominee langs, Georg Weissel.
‘Wat is dit?’, denkt hij. ‘Dit kan toch niet! Heeft die rijke koopman nu daadwerkelijk het hele land gekocht en afgesloten? Hoe moeten de mensen uit het armenhuis nu naar de stad? Er was hier vroeger toch een weg? En nu staan we voor een muur met een gesloten poort. Dat gaat toch niet?!’
 
Maar dan krijgt dominee Weissel een idee. Hij schrijft een lied, een Adventslied over psalm 24. Elk jaar op 2e Advent maakt het kerkkoor een ronde door de streek en zingt bij alle rijke mensen voor hun huis een lied om hen te bedanken voor hun bijdrage aan de kerk. Dit jaar zullen ze dit lied zingen. Het kerkkoor gaat ook naar het huis van de koopman Sturgis. Ze gaan staan voor de muur en ze zingen zo mooi als ze kunnen…

U bent nu even dat koor. We zingen heel lied 435:1-4 ‘Hef op uw hoofden, poorten wijd’ 
 
’s Avonds vraagt de vrouw van de koopman, Sturgis naar zijn dag. ‘Wat is er met je?’, vraagt ze ‘je ziet er zo in de war uit, wat is er mis?’.

‘Het was zo pijnlijk’, zegt Sturgis, ‘Heb je niets gehoord? Het hele kerkkoor en de dominee stonden vandaag bij ons aan de poort van de tuinmuur van het nieuwe park. En ze zongen een lied ‘Hef op uw hoofden, poorten wijd’. En toen zongen ze ‘gezegend ’t hart dat openstaat en Hem als koning binnenlaat’. En ik dacht – ze hebben het tegen mij.

En ik hoorde heel duidelijk een stem in mij zeggen ‘doe die poort open!’, ‘doe je hart open’, ‘laat de mensen erin’. En ik kon niet anders. Ik heb de poorten in de tuinmuur open gemaakt. Nu lopen de mensen door het park.
 Wat? Zei zijn vrouw. Ben je gek geworden? Door ons park?
Ja, zei Sturgis, ik weet ook niet wat me bezielde. Maar ik kan niet meer terug, we zullen eraan moeten wennen.
Nou, lekker dan, zei zijn vrouw. Wat is die dominee een doordrammer, zeg.
Ja, zei Sturgis, maar weet je, dat was die Jezus blijkbaar ook.

Overweging

1.     Gemeente van Jezus Christus,

Jezus komt binnen in Jeruzalem op een ezel. En Jezus komt binnen bij de rijke koopman Sturgis in de woorden van een lied. De koopman is geraakt door de roep zijn hart te openen voor deze zachtmoedige koning. En hij doet zijn poorten open.

Het is een beetje een zoetsappig verhaal, vind ik, maar een kern van waarheid zit er wel in.
De rijke man geeft blijkbaar al jaren grote bedragen aan de kerk. Maar de Ander toelaten tot zijn hart, dat gebeurde nog niet.

Wat ik grappig vind aan het verhaal, is dat de koopman zich niet van het ene op het andere moment geheel bekeert. Hij wordt niet opeens de redder van de armen. Hij voelt zich geroepen de poorten open te doen en de mensen toegang te geven tot zijn tuin. Dat is het. Die muur, daar kon hij zélf niet meer om heen. En dan blijkt er geen weg meer terug. Dit is wat hij moet doen.

Het verhaal van de intocht van Jezus in Jeruzalem heeft ook als kenmerk dat er geen
weg meer terug is. Jezus wordt zichtbaar zoals de profeet Zacharia (9:9) eeuwen ervoor heeft aangekondigd: 9Juich, Sion, Jeruzalem, schreeuw het uit van vreugde! Je koning is in aantocht, bekleed met gerechtigheid en zege. Nederig komt hij aanrijden op een ezel, op een hengstveulen, het jong van een ezelin. Hij is de lang verwachte Messias, die de mensen zal bevrijden. Maar komt zijn boodschap wel binnen? Laten de mensen zich raken door de zachtmoedigheid van deze koning? 

2.     Advent, letterlijk Adventus Dominum, de komst van de Heer, is de tijd van uitzien naar een
andere, betere wereld, uitzien naar een wending ten goede. Totale ommekeer is daarvoor nodig. Aanpak van corruptie, bestrijding van armoede, zorgvuldig omgaan met de aarde, navolgen van de rechten van de mens en zo nog meer.

Toch begint Advent niet bij die wereld, maar bij één mens. Die niet boven maar tussen de mensen stond. Die recht deed aan ieder mens die Hij ontmoette – en zo verwachtingen schiep.
Achter deze verwachtingen willen we niet terug. Zo kan het blijkbaar zijn! Zo zal het zijn als Hij komt.
Als we de verhalen van de Bijbel doorvertellen en als we kinderen dopen dan zeggen we: We hebben wat te verwachten!

Sturgis zet de poort in zijn muur open voor andere mensen. Hij kan niet anders, de oproep zijn hart te openen voor de zachtmoedige koning kwam binnen.
 
Zet de poort open, zwaai de deur open – wat betekent dat voor ons? Is dat letterlijk de deur open doen voor een ander, omzien naar wie binnen wil komen in de kerk, in ons huis? Of is dat het hart openen voor een ander die onze aandacht vraagt, die ons vraagt ons bezit te delen? 
Of is dat elke dag opnieuw ons laten verrassen door wie ons pad kruist, een mens in wie we iets van God kunnen herkennen?

Als kind kreeg ik rond deze tijd altijd een Adventskalender met voor elke dag tot aan kerst een deurtje. Wat er achter zat, was chocola. Maar de vorm van het chocolaatje was elke dag anders.
Deuren zijn er meer dan genoeg, in deze kerk, in onszelf, in deze stad. Laten we er elke dag één open maken om te zien wat er achter zit, in welke vorm God in een mens aan ons verschijnt.
Amen.

26 nov

Eeuwigheidszondag

Ds. Jantine Heuvelink

Lezing: psalm 139

 
1.    Gemeente van Jezus Christus,           
 
‘Mama’, vroeg mijn oudste dochter mij woensdag, ‘hoe kan het dat die meneer is doodgegaan? Hij was toch niet oud? En hij was toch in het ziekenhuis, dan kunnen de dokters hem toch beter maken?’.
 
Zes jaar oud stelde zij dé vraag. Waarom gaan mensen dood; -  soms zo vroeg, zo onverwacht, zo ongewild.
Het is de vraag van kinderen, het is de vraag van volwassenen, een vraag van alle tijden.
Net zo van gewicht als die andere vraag: ‘waar zijn onze doden nu?’.
 
Het antwoord op die vraag weten we niet. We tasten in het duister.
En toch zeggen we er wel wat over in de kerk.
In de taal van geloof hebben mensen van alle tijden woorden willen geven aan wat ze van die plaats waar onze doden zijn vermoeden, verwachten, hopen of waarop ze vertrouwen.
 
Zoals de dichter van psalm 139 schrijft: ‘Lag ik neer in het dodenrijk – U bent daar’.
De vraag ‘waar zijn onze doden?’ krijgt daarmee als antwoord: ‘de doden zijn elders maar binnen het bereik van God’.
Het hele begin van psalm 139 gaat daarover: dat God aan het begin en het einde van de mens staat, dat God het mensenleven omvat en dat er geen plek is waar God de mens niet bereiken kan.
 
Het kan zijn, dat deze woorden ons benauwend voorkomen, zoals de psalm ook zegt: God, daar is geen ontkomen aan.
Maar voor de psalmdichter is dat uiteindelijk een veilig gevoel. Nergens zijn wij buiten het bereik van God, en het zal nooit zo duister zijn, waar wij zijn, dat Gods licht er niet schijnt.
 
Let wel: de psalmdichter beschrijft niet hoe het zít, de psalmdichter gebruikt beelden om aan te duiden waar hij op vertróuwt.
En die beelden passen bij de Bijbelse verhalen waarin we lezen dat God de mensen vormt, met mensen optrekt, en hen bevrijdt uit duisternis en dood.
Daarom is het ook geen toeval dat deze psalm met Pasen gelezen wordt. Het Paasverhaal dat vertelt dat Jezus leeft door de dood heen, wijst ons op God die groter is dan ons sterfelijk leven. En al die verhalen samen geven ons het vertrouwen dat in dit leven de dood niet het laatste woord heeft.
 
Dat betekent niet dat wij niet zullen sterven of dat onze doden zullen herleven. En het betekent ook niet dat we de dood kunnen bezweren als we maar op God vertrouwen.
Maar wel betekent het dat we ons leven niet moeten laten beheersen door de dood, maar dat het licht ons ijkpunt is.
 
2.
Straks bij het aansteken van de gedachteniskaarsen zingen we een lied dat geschreven is rond één vers uit deze psalm 139: ‘Wie door het duister zijn omringd, noemen wij hier in stilte, want voor u is het duister niet donker, de nacht licht op als de dag, het duister is helder als licht’.
Wij zingen dit lied bij het gedenken van de doden, maar het is goed om te bedenken dat de psalmdichter niet doelt op gestorvenen als hij het heeft over mensen die door het duister zijn omringd. In de hele psalm gaat het over een mens die leeft met God tot in alle uitersten van het menselijk bestaan. Daarmee is de psalm te lezen als een belofte voor wie in dit leven door de dood van een naaste worden overvallen en uit het veld geslagen. De belofte is: je kunt God wel even helemaal kwijt zijn, maar God is jou niet kwijt. Hoe donker het ook is, je blijft binnen het bereik van God. Binnen het bereik van Zijn licht.
En dat licht kunnen we herkennen als het licht van het begin van de schepping, dat orde bracht in de doodse chaos. Het licht ook van Pasen. 
 
Het gedenken van de doden verbindt ons daarom ook niet met de dood, maar met het leven. Wij verbinden de namen die we bij ons dragen met het licht van God, dat van ons allemaal het levenslicht is. Voor dat licht zijn wij bestemd, zegt de psalmdichter en we vinden het bij God ‘Die ons voor het licht gemaakt heeft opdat wij leven: Die ons licht geeft en aanwezig is zoals zijn naam zegt ‘Ik zal er zijn’.
 
3.
Helpt het nou om deze woorden te horen en te zingen in tijden van rouw?
Zal de psalmdichter zelf toen het er op aan kwam, ook inderdaad zijn toevlucht hebben gezocht tot God?
Of is het ook van alle tijden dat woorden van geloof makkelijker te beamen zijn als het goed gaat, dan wanneer het duister over je heen valt en dat het zomaar kan gebeuren dat het in tijden van rouw niet lukt om te bidden en te geloven en vertrouwen op het licht?
 
Het lijkt alsof de psalmdichter verwacht dat dat hem kan overkomen.
Want na alle getuigenis van hoe God hem kent, en hoe dankbaar hij is voor zijn bestaan, en na een paar felle zinnen van haat tegen iedereen die tegen God getuigt, eindigt de psalm met een gebed:
Doorgrond mij, God, en ken mijn hart, peil mij, weet wat mij kwelt,
zie of ik geen verkeerde weg ga, en leid mij over de weg die eeuwig is.
 
Als de woorden ons ontbreken, als wij tasten in het duister, laat God er dan zijn in het teken van leven dat we voor onszelf en voor anderen kunnen ontsteken: het licht van een kaars.
 
Amen
 


vieringen

vieringen

elke zondag om 10.00 uur