1 dec (1e Advent)

ds. Wielie Elhorst

Lezingen: Micha 2 en Romeinen 13:1-7


Beste mensen, gemeente van Jezus Christus,

Aan het begin van de Advent hebben de roostermakers, de samenstellers van de roosters van de Bijbellezingen, voor een interessante combinatie van lezingen gekozen. In de hoofdlezing van vanmorgen uit Micha, de alternatieve lezing voor deze zondag, worden er harde woorden gesproken over hen die het in en om Jeruzalem, in Juda voor het zeggen hebben, terwijl in Romeinen 13 wordt gesteld dat zij die het voor het zeggen hebben, ons vertrouwen verdienen, sterker nog: onze gehoorzaamheid, omdat God hen als ons gezag over ons heeft gesteld. Hoe zit dat? Als er iets is dat de profeten van het oude Israël ons duidelijk maken, dan is het wel dat je niet hoeft te zwijgen, sterker nog dat we geroepen zijn van ons te laten horen, als zij die de macht hebben, er een potje van maken. Ik verbaas me bij de niet mis te verstane woorden van de profeten wel eens over ons ongemak hardop en kritisch te spreken over wat er niet deugt in onze samenleving, waar onze overheden, onze machthebbers falen, falen in hun taak juist hen te beschermen die uit zichzelf minder gemakkelijk mee kunnen komen en mee kunnen doen in onze maatschappij. Geen politiek in de kerk, horen we dan of zeggen we tegen elkaar. Ik snap de terughoudendheid die achter dat appèl schuilgaat heel goed – de kerk heeft haar lessen geleerd wat dit betreft en politiek wordt zomaar partijpolitiek - , maar net te doen of de verantwoordelijkheid voor de publieke zaak geen plaats heeft in de kerk, lijkt mij het andere uiterste. De Oranjekerk staat in het hart van de Pijp, is ons motto. Dat mag wat te betekenen hebben. Het zijn geen vrijblijvende woorden. Als individuele gelovigen staan wij ook midden in de wereld en geregeld doet die wereld, doen wie het daar voor het zeggen hebben, een appèl op ons – een appèl dat soms vraagt om keuze, een keuze die betekenis heeft voor de publieke zaak, een keuze die politiek is. Gelovig zijn, kerk zijn, kan nooit beperkt blijven tot de privésfeer. Gelovig te zijn is in zichzelf een politieke keuze, die betekenis heeft voor de verhouding tot je omgeving en die voor de kerk betekenis heeft voor haar plek in de samenleving en haar verhouding tot de overheden. De profeten maken ons dat overduidelijk. Zij passeren voortdurend de grens tussen geloof en politiek, om het zo maar te zeggen. Geloven ís of is ook zorg voor een samenleving waarin het welzijn van allen wordt gezocht, zeker in het oude Israël. De profeten laten steeds zien dat geloven daadwerkelijk betekenis heeft en dat dat bij tijden kan betekenen dat je je kritisch uitlaat over de machthebbers, in de Bijbel ook vaak de rijken, en dan vooral, ik zei het al: als er mensen onrecht wordt gedaan, niet de kansen krijgen die anderen ook hebben om volwaardig mens te zijn, die daar zelfs actief in tegengewerkt worden soms. Het is juist dat we in onze tijd en in dit deel van de wereld een zogenaamde scheiding van kerk en staat kennen, maar deze scheiding houdt niet in dat de kerk zich koest moet houden. Zij heeft de vrijheid geloof te belijden en uit te oefenen én ook een eigen verantwoordelijkheid te zoeken en uit te oefenen als onderdeel van de samenleving, profetisch te spreken waar dat nodig is – niet te pas en te onpas, maar zeker wel als de situatie daar in het belang van mensen om vraagt, en dan ook van de kansel.

De profeet Micha zal ons de weken van Advent begeleiden. Hij brengt in deze weken van wachten, van uitzien, de wereld binnen, om het zo maar te zeggen. Zijn woorden maken ons juist deze weken duidelijk dat ons wachten op het licht, ons wachten op de vervulling van de belofte, niet alleen een privé aangelegenheid is, iets persoonlijks, maar een zaak die de wereld aangaat, dat het licht waarop wij wachten niet alleen het licht van ons hart wil zijn, maar dat het een scheur wil trekken in de nacht van de wereld. De profeten, nu Micha, maken ons duidelijk dat het licht van Advent, dat met de week voller wordt, niet alleen een schone belofte in houdt, maar dat het ook onthult wat niet deugt. De tijd van Advent is van oudsher niet voor niets een tijd van bezinning, van reflectie: waar staan wij, hoe diep donker is de nacht en wat onthult het licht dat met de week steeds voller wordt, dat licht dat uiteindelijk alle duister wegneemt en verzoent – maar zo ver is het nog niet. Deze zondag is het ‘neus op de feiten zondag’. In het spoor van Israël spreekt Micha een onwelgevallig woord. Welgevallig voor God, maar onwelgevallig voor wie het moeten aanhoren. De profeet Micha treedt in de achtste eeuw vóór Christus op, in en om Jeruzalem, in Juda, kort voordat het door de Assyriërs onder de voet wordt gelopen. Micha spreekt op de straten en pleinen van Jeruzalem. Hij stoort zich er geweldig aan hoe macht, ook of vooral door rijkdom, corrumpeert. Het vervaagt alle grenzen in het menselijk verkeer, zo vernemen we: mensen wordt de kleren van het lijf gerukt, vrouwen zijn niet veilig in hun huizen en kinderen wordt hun integriteit ontnomen. Je kunt gerust zeggen: het is bij de beesten af. Het hele land is onrein, zegt de profeet, het brengt bederf. Bij deze woorden van Micha dacht ik in eerste instantie: ja, zo is het wel duidelijk, op het gemakkelijke af zelfs. Deze misstanden zijn zo grof dat oordeel en tegenspraak de enig mogelijke optie zijn, maar hoe zit dat in onze tijd? En bovendien: waar staan wij eigenlijk precies? Zij wij de aanklagers of de aangeklaagden? Ik denk allebei.

Het is in onze tijd beslist niet gemakkelijk zomaar aan te wijzen waar het opkomende licht van Advent onthult wat niet deugt, wat dat licht niet kan verdragen. Dat voorkomt in ieder geval dat we een gemakkelijk oordeel vellen, maar het maakt het er niet eenvoudiger op een stem te zijn voor een samenleving waarin recht en vrede het laatste woord hebben. In onze gelukkig open samenleving buitelen de meningen over elkaar heen, en ook de verklaringen en de feiten en de perspectieven. Hoe ga je daarin je positie bepalen, hoe ga je daarin manifest onrecht aanwijzen. Wat is precies manifest onrecht? En kun je ooit voldoende geïnformeerd zijn om te zeggen: dit kan echt niet. Het ligt allemaal niet zo duidelijk als in de tijd van Micha waarin mensen letterlijk de kleren van het lijf werd gerukt, vrouwen uit hun huizen gesleept, kinderen verkracht, door de machthebbers wel te verstaan. Of toch wel, en moeten we het manifeste van dat onrecht nu anders aanwijzen en benoemen? We komen er in deze dienst niet uit, denk ik, maar het appèl dat Micha doet, verliest daarmee geen betekenis, en het is gelukkig ook niet zo dat al deze terechte afwegingen ons hoeven te verlammen.
Nog maar een paar weken geleden bezonnen we ons op de rol van onze gemeente in de vluchtelingenkwestie, niet zozeer om iets te zeggen trouwens, maar vooral om iets te doen. Bij alle vragen die we hebben, bepaalde de inleider van de bijeenkomst Rikko Voorberg ons er bij dat aandacht en zorg voor het lot van de vreemdelingen geen bijkomstigheid is, maar inherent is aan ons geloof en dat waar duidelijk wordt dat de zorg voor hen tekortschiet, wij te hulp mogen en moeten schieten, ook als wij daarbij impliciet of expliciet duidelijk maken dat de zorg voor deze vreemdelingen in ons midden van de kant van de overheid niet deugt. Dan mogen wij – en ik zeg het met opzet met deze woorden – het recht in eigen hand nemen, of anders gezegd: er aan bijdragen dat deze mensen wél te recht komen. Een overheid door God boven ons gesteld is een overheid die – om het met de woorden van de Bijbel te zeggen – altijd oog heeft voor ‘de wees, de weduwe en de vreemdeling’ en hun welzijn nastreeft. Een overheid die dat niet doet is geen door God gewilde overheid en een kerk die dit laat liggen mag eigenlijk geen kerk heten. Wat mij betreft mogen we hier wel iets vrijmoediger zijn. Nu de kerk geen instituut met macht meer is, althans niet in Nederland, en we niet het risico lopen dat die macht ook ons corrumpeert, kunnen we juist de profetische opdracht die we hebben, weer wat minder angstig oppakken. We hebben niets te verliezen, dan behalve onze eigen integriteit, onze eigenwaarde, zo veel als we kunnen, met de mogelijkheden ons gegeven, gemeente van Jezus Christus te zijn.

En daar hoort dan ook de bezinning op ons persoonlijke handelen bij en op wie wij persoonlijk zeggen te zijn. Wij zijn dan niet alleen degenen die aanklagen in Gods Naam, maar ook degenen die zelf met de neus op de eigen feiten worden gedrukt. De tijd van Advent is niet alleen een mooie tijd, van uitzien naar het licht dat komt, het is ook een tijd die pijnlijk wil onthullen, een tijd van bezinning en reflectie. Wij zijn net zo goed zélf onderdeel van de wereld waarover wij het licht willen afroepen. En zeker in ons deel van de wereld behoren wij op wereldschaal tot de rijken tegen wie Micha zich uitspreekt, denk ik. Nee, wij leven niet bij de beesten af, maar het is wel de vraag of wij voldoende overzien waar elders in de wereld mensen lijden onder de consequenties van ons handelen. Micha brengt deze wereld binnen en de urgentie van zijn woorden is per saldo, vrees ik, niet minder dan in zijn eigen tijd. Gods belofte is niet zomaar gegeven, zegt Micha tegen zijn tijdgenoten, maar moet onderhouden worden. Gods belofte is er en blijft, maar moet ook waargemaakt worden. Deze vragen op wereldschaal, om het zomaar eens te zeggen, zijn veel te groot voor de meesten van ons. Wie kan dat overzien? Maar de vraag naar wat het goede samenleven, het goede samenzijn bevordert, wat welzijn voor iedereen is, waar de vrede tussen mensen mee is gediend, en hoe je de ander, hoe je elkaar recht doet, is niet te groot. Daar kunnen we ons allemaal toe verhouden. We zijn allemaal in staat na te gaan of en zo ja, hoe we hieraan in ons eigen leven bijdragen.

We hebben dus deze adventsperiode een dubbele opdracht, eigenlijk de twee zijden van eenzelfde medaille: het licht dat groeit naar het feest van Kerst toe, het feest van vrede en recht, te laten onthullen wat die vrede en wat dat recht weerspreekt, in de wereld, en in ons eigen leven. Het klinkt wat zwaar op de hand, en dat is het eigenlijk ook, want dit soort onthullingen zijn pijnlijk, maar licht dat groeit en onthult, dit adventslicht, zal uiteindelijk verzoenen. Daar geloven we in. Want het licht dat onthult, is het licht van Gods genade zelf. Dat licht kan alle duister aan, in de wereld, in ons leven.

Het is niet helemaal duidelijk of de laatste twee verzen van Micha 2 onderdeel zijn van de profetie van de valse profeten waartegen Micha waarschuwt, maar ik kies er nu even voor deze woorden de woorden van Micha te laten zijn. Ze zijn hoopvol, triomfantelijk bijna en ze vormen het slotakkoord dat bij de periode van Advent hoort, die wij nu ingaan. Het zijn de woorden van de aloude belofte van God over zijn volk, die de hoop vertolkt die ook wij mogen koesteren. Bij alles wat wordt onthuld over ons leven en samenleven, zal God ons niet verloren laten gaan. Hij zal ons bijeenbrengen om vervolgens uit te breken met God als de koning voorop, de verkondigers van een nieuw leven, een nieuw samenleven. Wie weet wat er ontbreekt, zal uiteindelijk ook weten wat er toe doet, wat er echt toe doet.

Amen

24 nov (Eeuwigheidszondag)

Eeuwigheidszondag

Ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Psalm 139

 
Kinderverhaal ‘Vlinder’
Lizzy staat met haar handen als een bolletje in de klas. Ze heeft haar jas nog aan. Die kan ze niet uittrekken want ze heeft haar beide handen nodig om te beschermen wat ze in haar handen heeft.
Wat heb je in je handen, Lizzy? Vraagt meester Bart.
Als je niet voorzichtig doet gaat ie kapot, zegt Lizzy.
Ah, zegt meester Bart, ik zie dat je heel voorzichtig doet.
‘Hij is dood’ zegt Lizzy. ‘Maar hij was de allermooiste’.
Meester Bart kijkt Lizzy vriendelijk aan.
Lizzy krijgt een brok in haar keel en kan niet goed meer verder praten.
Wil je het ons laten zien? Vraagt meester Bart.
En Lizzy knikt.
Ze doet haar handen open en gaat de klas rond.
 
Alle kinderen zien de vlinder en ze herinneren zich de zomer, toen het warm was en de vlinder nog fladderde. En meester Bart zegt, weet je wat, zullen we een mooi doosje maken voor de vlinder, dan kun je hem daarin voorzichtig bewaren.
Dat is een goed idee.
 
Vandaag gaat het over dingen en mensen die dood zijn maar die we nog dicht bij ons bewaren en beschermen. Waar we soms niet over kunnen praten, maar wat we wel willen laten zien. En we steken een kaars aan, dat is als een doosje zoeken, we willen wie dood is voorzichtig bewaren.
 
Overweging
1. Gemeente van Jezus Christus,  
 
Voorop de liturgie staat een foto die indruk op mij maakte: een kerk zonder dak, met gras op de grond, kale muren en donkere wolken erboven. Het beeld doet mij denken aan rouw, aan zijn op een plek die je kent, maar die ineens zo anders is. (…)
 
Twee weken geleden las ik een interview (Nederlands Dagblad 9-11-2019) met mijn oud-collega Marleen Blootens waarin zij vertelde dat zij twee jaar geleden toen ze net zwanger was, getroffen werd door kanker en geen troost vond in haar geloof. In de kerk voelde zij zich door God verlaten. Het ontroerde mij.
 
Nooit, maar zeker vandaag niet, wil ik makkelijk praten over hoe dat zit met God en geloof wanneer we te maken krijgen met groot verdriet, met verlies, met de dood.
We tasten in het duister over waar onze doden zijn. En waar je je aan vast kunt houden, dat kan een ander niet zo voor jou zeggen.
Makkelijk praten is niet aan de orde. En toch zeggen we er wel wat over in de kerk. We staan gelukkig niet helemaal met lege handen.
In de taal van geloof hebben mensen van alle tijden woorden willen geven aan wat ze van die plaats waar onze doden zijn vermoeden, verwachten, hopen of waarop ze vertrouwen.
 
Zoals de dichter van psalm 139 schrijft: ‘Lag ik neer in het dodenrijk – U bent daar’.
De vraag ‘waar zijn onze doden?’ krijgt daarmee als antwoord: ‘de doden zijn elders maar binnen het bereik van God’. Het hele begin van psalm 139 gaat daarover: dat God aan het begin en het einde van de mens staat, dat God het mensenleven omvat en dat er geen plek is waar God de mens niet bereiken kan.
 
Het kan zijn, dat deze woorden ons benauwend voorkomen, zoals de psalm ook zegt: God, daar is geen ontkomen aan. Maar voor de psalmdichter is dat uiteindelijk een veilig gevoel. Het zal nooit zo duister zijn, waar wij zijn, dat Gods licht er niet schijnt.
 
Let wel: de psalmdichter beschrijft niet hoe het zít, de psalmdichter gebruikt beelden om aan te duiden waar hij op vertróuwt.
En die beelden passen bij de Bijbelse verhalen waarin we telkens weer lezen dat God de mensen vormt, met mensen optrekt, en hen bevrijdt uit duisternis en dood.
Daarom is het ook geen toeval dat deze psalm met Pasen gelezen wordt. Het Paasverhaal dat vertelt dat Jezus leeft door de dood heen, wijst ons op God die groter is dan ons sterfelijk leven. En al die verhalen samen geven ons het vertrouwen dat in dit leven de dood niet het laatste woord heeft.
 
Dat betekent niet dat wij niet zullen sterven of dat onze doden zullen herleven. En het betekent ook niet dat we de dood kunnen bezweren als we maar op God vertrouwen.
Wel betekent het dat we ons leven niet hoeven laten beheersen door de dood, maar dat het licht ons ijkpunt kan zijn.
 
2. Straks bij het aansteken van de gedachteniskaarsen zingen we een lied dat geschreven is rond één vers uit deze psalm 139: ‘Wie door het duister zijn omringd, noemen wij U in stilte, want voor u is het duister niet donker, de nacht licht op als de dag, het duister is helder als licht’.
Wij zingen dit lied bij het gedenken van de doden, maar het is goed om te bedenken dat de psalmdichter niet doelt op gestorvenen als hij het heeft over mensen die door het duister zijn omringd. In de hele psalm gaat het over een mens die leeft met God tot in alle uitersten van het menselijk bestaan. Daarmee is de psalm te lezen als een belofte voor wie in dit leven door de dood van een naaste of door eigen doodsangst worden overvallen en uit het veld geslagen. De belofte is: je kunt God wel helemaal kwijt zijn, maar God is jou niet kwijt. Hoe donker het ook is, je blijft binnen het bereik van Gods licht. En dat licht kunnen we herkennen als het licht van het begin van de schepping, dat orde bracht in de doodse chaos. Het licht ook van Pasen.  
 
Het gedenken van de doden verbindt ons daarom ook niet met de dood, maar met het leven. Wij verbinden de namen die we bij ons dragen met het licht van God, dat van ons allemaal het levenslicht is. Voor dat licht zijn wij bestemd, zegt de psalmdichter en we vinden het bij God ‘Die ons voor het licht gemaakt heeft opdat wij leven: Die ons licht geeft en aanwezig is zoals zijn naam zegt ‘Ik zal er zijn’.
 
3. Helpt het nou om deze woorden te horen en te zingen in tijden van rouw?
Zal de psalmdichter zelf toen het er op aan kwam, ook inderdaad zijn toevlucht hebben gezocht tot God? Of is het ook van alle tijden dat woorden van geloof makkelijker te beamen zijn als het goed gaat, dan wanneer het duister over je heen valt? Dat, zoals mijn collega Marleen vertelt in dat interview, dat het zomaar kan gebeuren dat het in tijden van rouw niet lukt om te bidden en te geloven en te vertrouwen op het licht? Ik herken mijzelf ook in haar woorden.
 
Wat moet je dan?
Marleen vertelt dat toen het geloof haar ontbrak in tijd van grote kwetsbaarheid, dat er mensen waren die haar omarmden en droegen. De woorden die zij niet spreken kon, spraken ineens tot haar. Zij zegt: ‘God was buiten mijn bereik, maar blijkbaar was ik niet buiten het bereik van God’.
 
Schokkend, maar ook bevrijdend of troostend kan het daarom ook zijn om de felle woorden te lezen die de psalmdichter ook nog spreekt. ‘God, breng de zondaars om!’ ‘Ik haat ze zo fel als ik haten kan’. Tjonge. Maar ook: mag het even, de woede eruit, om wat fout is gegaan en om wie kwaad doen. Als God je toch van achter en voren kent, dan moet het kunnen.
 
Niet met die woede maar met een gebed vol verlangen eindigt de psalm:
‘Doorgrond mij, God, en ken mijn hart, peil mij, weet wat mij kwelt,
zie of ik geen verkeerde weg ga, en leid mij over de weg die eeuwig is’.
 
Dit vertrouwen dat God verder reikt dan onze duisternis, kan ons bemoedigen:
Hier, steek een licht aan. Voor jezelf, voor een ander.
Noem wie het is die je mist, wat het is dat je belast.
Spreek je uit over je pijn, je hebt recht van spreken.
Zing boven je tranen uit, anderen zullen met je meezingen.
Mens ben jij, voor het licht gemaakt.
Amen

3 nov

ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Lucas 19: 1-10


Inleiding op de Schriftlezing

We lezen vandaag verder in het evangelie van Lucas en horen het verhaal over Zacheus, een verhaal dat Lucas als enige evangelist vertelt.

De Tsjechische priester en hoogleraar Tomás Halík schreef een boek ‘Geduld met God’, waarin hij uitgebreid ingaat op het verhaal van Zacheus. Hij ziet in Zacheus een buitenstaander die nieuwsgierig en welwillend wil onderzoeken wie Jezus is. En hij zegt: er zijn heel veel zacheussen in onze samenleving en daar moeten we als kerk wat mee. Bovendien gunt hij ons de zoekende houding en de open blik van Zacheus. Laten we voor we lezen daarom zingend bidden: 'Kom Geest van God, maak onze harten open, dat Christus bij ons woning vindt'. 

 

Overweging

1.  Gemeente van Jezus Christus,

 

De bladeren op de liturgie staan er niet voor niets. Ze zijn bedoeld als hint. Ik wil u vandaag namelijk de boom in krijgen met mijn overweging en mijzelf ook. De boom van Zacheus. Zodat we vanuit zijn perspectief kunnen kijken naar de boodschap van dit verhaal.

 

Zacheus zit in een boom en hij kijkt van een afstandje naar Jezus.

Waarom zit hij in een boom en waarom kijkt hij naar Jezus? Hoe is dat zo gekomen?

Jezus komt op weg naar Jeruzalem door Jericho en Zacheus heeft over hem gehoord. Misschien heeft hij wel gehoord wat vlak hiervoor is gebeurd, nl. dat Jezus een andere tollenaar een rechtvaardig mens noemde omdat hij eerlijk voor God bekende een zondig mens te zijn. De tollenaar Zacheus weet dat hij zijn rijkdom niet eerlijk verkregen heeft, misschien heeft hij hoop gekregen dat hij ook gerechtvaardigd kan worden?

Of is hij gewoon nieuwsgierig?

De reden dat Zacheus in een vijgenboom klimt staat wel in de tekst, hij is klein van stuk. Toch zal dat niet de enige reden zijn waarom hij niet tussen de mensen gaat staan. Zacheus hoort niet bij die mensen, zij beschouwen hem niet als één van hen, gewild of ongewild is hij een buitenstaander. En hij heeft ook wel wat te verbergen daar achter die vijgenbladeren.

 

Nog één ding is belangrijk om te weten over hoe Zacheus in die boom zit.

Letterlijk staat er dat Zacheus ‘Jezus zoekt te zien’. Zacheus is een zoeker, hij heeft een open vraag en een open blik: hij is afwachtend, nieuwsgierig, verlangend. 

Net als Jezus, die is ook een zoeker. Dit verhaal laat zien dat Jezus ‘De ​Mensenzoon​ is die is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was.’

Van de mensen in de menigte krijg je niet de indruk dat ze Jezus zoeken. Zij hebben Hem al gevonden. Zij beschouwen Jezus min of meer als hún bezit.

 

2. Vanuit onze boom zien we een morrende menigte.

Tomás Halík is er erg op gebrand om in die groep mensen de kerk te zien en hij roept met zijn boek de kerk op om naar zacheussen toe te gaan. Hij zegt: ‘in de kerk zitten we als de morrende menigte te denken dat we hét geloof bezitten en hebben we een mening over mensen die niet gelovig zijn, of die twijfelen en zoeken, en we geven die mensen geen kans, we spreken ze niet aan’.

Ik snap waar Halik het over heeft en die morrende menigte herken ik en dan niet alleen in de kerk. Ook op andere plaatsen in de samenleving kan een menigte morren als iemand het niet doet zoals het hoort en toch, zo lijkt het, een voorkeursbehandeling krijgt.

Toch denk ik dat het beeld van Halik van een kerk als morrende massa die geen plek wil gunnen aan wie anders denkt of doet, dat dat beeld niet passend is voor onze situatie in de Oranjekerk. Als ik voor mezelf spreek dan is de plek die Zacheus inneemt, mij minstens zo vertrouwd.

Misschien herkent u dat ook, dat je zelf ook wel eens van een afstandje kijkt naar een groep mensen die zich gelovig noemen en dat je je afvraagt of je wel bij hen hoort en bij hen wil horen. Dat je voelt dat hun zekerheid niet jouw zekerheid is, dat je je niet herkent in wat zij zeggen, maar dat je wel iets hebt met Jezus, of iets met Jezus wil.

 

Iets in de verhalen over Jezus heeft Zacheus geraakt en hij gaat op onderzoek uit om te ontdekken wat dat is.

Jezus ontdekt Zacheus meteen.

Hij noemt hem bij zijn naam en daarmee is veel gezegd. Zacheus, die naam, betekent ‘zuiver, rein’. Jezus spreekt Zacheus aan op de zuivere mens die hij ten diepste is, hij is ook een zoon van Abraham immers, verbonden met God.

Als Jezus Zacheus bij zijn naam noemt, gebeurt er iets. Iets wat volgens mij raak verwoord is in dat lied:

Neem mij aan zoals ik ben,

zuiver uit wie ik zal zijn,

druk uw zegel op mijn hart en leef in mij.

 

Leef in mij, ‘dat Christus bij ons woning vindt’, hebben we net gezongen. En precies dat is wat Jezus gaat doen bij Zacheus. Hij nodigt zichzelf bij Zacheus uit: ‘vandaag moet ik in jouw huis verblijven’. En waar de menigte denkt dat Jezus gaat logeren bij een zondig mens, gaat  chillen bij Zacheus op de sofa’, blijkt dat het daar helemaal niet om gaat.

Misschien is Jezus zelfs wel nooit aangekomen in het fysieke huis van Zacheus. Want het eerste wat we lezen dat Zacheus doet, is dat hij gaat staan. Niet gek als je bedenkt dat hij op Jezus’ woorden eerst uit de boom moet gekomen. Zacheus staat met beide benen op de grond en zegt wat hij gaat doen. Hij gaat de helft van zijn bezit geven aan de armen en hij zal  ruimschoots vergoeden waar hij mensen heeft afgeperst.

Staan is hier opstaan, Zacheus begint een nieuw leven als een zuiver mens.

 

3. Daarop noemt Jezus Zacheus veelzeggend een ‘zoon van Abraham’. God beloofde Abraham dat Hij zou omzien naar zijn nakomelingen. Met Jezus wordt zichtbaar hoe God zoekt en redt wie verloren was.

 

In nog een ander opzicht is Zacheus verwant aan Abraham. Beiden zijn zoekers. Abraham heeft ooit net als Zacheus de zekerheid van zijn huis en zijn bezit verlaten om op weg te gaan. Beiden hebben God op hun weg ontmoet. En God heeft hen en allen die bij hen horen gezegend en zij zijn anderen tot een zegen geworden.

 

De openheid waarmee Zacheus op weg gaat naar Jezus, staat in een sterk contrast met de houding van de morrende menigte. De zoekende houding van Zacheus getuigt ervan dat hij een verlangen heeft en dat hij iets van Jezus verwacht. Hij waagt het voor gek te staan in zijn poging Jezus te zien. Hij laat zich kennen en aanspreken en staat open voor een andere manier van doen. Hij overbrugt de afstand tussen hem en de ander.

 

4. En daarom wilde ik u en mijzelf graag in die boom hebben vandaag. In de hoop dat het op een afstandje kijken naar wie die Jezus is, ons ook aanmoedigt om te zoeken en te blijven zoeken naar wie God is. Wie weet worden we dan ineens als nieuw aangesproken bij onze naam. Krijgen we opeens een onverwachte gast binnen.

 

Als wij het avondmaal vieren, dan gedenken we dat de tafel, die maaltijd, niet van de kerk is, maar van God. Daarom is ook iedereen welkom. Wie vast gelooft is geen betere gast aan die tafel dan wie zoekt of twijfelt.

Verwachting, verlangen, nieuwsgierigheid of sympathie kunnen ons in beweging zetten om dichterbij te willen komen, en ondanks schroom te willen ontdekken wie onze gastheer is.

Jezus, iemand bij wie je thuis kan komen. 

Amen.


20 okt

Ds. Wielie Elhorst

Lezingen: Genesis 32:23-32 en Lucas 18:1-8


Beste mensen, gemeente van Jezus Christus,

Ik kon er niet echt onderuit bij de lezing en bestudering van de tekst uit het Lucasevangelie van vandaag. Bij het beeld van de weduwe kwam bij mij steeds het beeld op van Greta Thunberg en van de jonge klimaatactivisten van wie wij de afgelopen weken zoveel hebben gehoord en gezien, zij het de afgelopen week enigszins overschaduwd door de protestacties van de Nederlandse agrariërs. Ik wil er ook niet onderuit, want als er iets dichtbij een actuele betekenis van ons verhaal komt, dan is het de inzet van deze jongeren wel. Het ‘bewijs’ daarvoor wordt geleverd met het etiket dat hen wordt opgespeld, en dat erg veel zegt over de wijze waarop hun protest wordt ontvangen: klimaatdrammers zijn het, zeggen ze, zeggen we. Hun boodschap, hun protest, komt niet gelegen, we worden er ongemakkelijk van, het is ons onwelgevallig. En dus reduceren we hun protest tot ‘gedram’, alsof het kleine kinderen zijn die vooral hun zin willen. Drammers, mensen die van geen ophouden weten, die aanhoudend aan je jasje trekken met hun vragen, hun appèl op jou: nu eindelijk eens op te houden steeds weer om de hete brei heen te draaien, steeds maar weer voor je uit te schuiven wat je eigenlijk nu zou moeten doen. Drammers, mensen die onvermoeibaar zijn in hun roep om eerlijkheid en om recht, en die niet ophouden tot ze een echt antwoord krijgen. Lastig zijn ze. Drammers, naar mijn beste indruk net als de weduwe dus in de gelijkenis van Jezus uit het Evangelie naar Lucas van vanmorgen – die weduwe die in die gelijkenis door Jezus aan zijn leerlingen als voorbeeld wordt voorgehouden, die de evangelist Lucas zijn gemeente ten voorbeeld houdt. Drammen als kwaliteit van de navolgers van Jezus Christus, drammen als kwaliteit van de gemeente? Jezus’ woorden zijn: altijd bidden en nooit opgeven.

Goed, laten we het verhaal eens van wat naderbij bekijken. Het begint dus met de oproep altijd te bidden en nooit te op te houden – daar kom ik zo weer op –, maar het eindigt met een niet minder indringende vraag, van Jezus, in vers 8: ‘Maar als de Mensenzoon komt, zal hij dan geloof vinden?’ Een grote vraag, de vraag naar geloof. De gelijkenis van de onrechtvaardige rechter, zoals we het verhaal van vandaag kennen, staat in het Lucasevangelie in het teken van een doorlopend gesprek over de definitieve doorbraak van het koninkrijk van God met de komst van de Mensenzoon. Het begint al eerder in het Lucasevangelie en de vraag naar geloof van Jezus aan het einde van de gelijkenis heeft daar alles mee te maken. De Farizeeën, de vrome broeders van die tijd, vragen aan Jezus wanneer het langverwachte koninkrijk van God zal komen en hoe dat dan te merken zal zijn en waar dat dan te zien zal zijn – dat langverwachte rijk van vrede en gerechtigheid dat met de komst van de Mensenzoon ook een oordeel uitspreekt over al wat die vrede en die gerechtigheid heeft weersproken, wat het daglicht niet kon verdragen. Ook al zo’n grote vraag, zeker voor de mensen van toen die dag in dag uit gebukt gingen onder bezetting, oorlog en onderdrukking. Die willen eindelijk bevrijding. Die willen dat de beul wordt gestraft. Niet dat de Farizeeën het zo bedoelen. Die snijden een thema aan, stellen Jezus een vraag in de hoop dat ze Hem daarmee klem kunnen zetten, zoals wel vaker gebeurt. Minder groot wordt de vraag daarmee niet. Jezus gaat er dan ook uitgebreid op in. Jezus zegt: als je een simpel antwoord wilt op deze vraag, dan kun je het wel vergeten. Dat antwoord krijg je niet. Je kunt speculeren over dat koninkrijk, over die nieuwe tijd, en zeggen ‘kijk hier’ of ‘kijk daar’, maar zo eenvoudig ligt het niet. Het heeft geen zin je druk te maken over een toekomst die je niet kent en die niet te berekenen valt. Het heeft geen zin je druk te maken over de tijd of het uur. De toekomst, zeker dat Godsrijk van vrede en gerechtigheid dat komt, is niet maakbaar, het is niet af te dwingen, niet naar menselijke maatstaven. Tegelijkertijd zegt Jezus: het koninkrijk ligt binnen uw bereik, het is heel dichtbij. Op de grote vraag naar het wat, het wanneer en het hoe van het koninkrijk van God, het rijk van vrede en gerechtigheid, is dan misschien geen simpel antwoord te geven, maar dat maakt het niet minder concreet. Het is onder handbereik. In het verhaal van vandaag concentreert Jezus zich op de waarde van het verlangen; niet het verlangen van het ‘stil maar wacht maar alles wordt nieuw’ maar het verlangen dat weet van onophoudelijk bidden en nooit opgeven. En in de gelijkenis die Jezus vertelt krijgt dit onophoudelijk bidden, dit nooit opgeven de kleur van het protest, de eis om recht gedaan te worden, het krijgt, met de woorden van vandaag, de kleur van gedram. We zien een weduwe, dat is een vrouw die geen man meer heeft, dat is in die tijd zo’n mens van dubbel niets: onbeschermd, onrein, uitgeleverd, overgeleverd, aan de grillen van haar mannelijke omgeving. Deze vrouw, deze weduwe, deze aangevochtene, deze mens die niet kan terugvallen op macht, status of autoriteit, stapt zonder blikken of blozen naar de rechter van haar stad om haar recht op te eisen in een geschil waarvan we de toedracht niet kennen. Die toedracht doet er ook niet toe. Het gaat hier om haar houding van protest en om de onophoudelijkheid, de aanhoudendheid ervan. Het gaat hier om het verlangen dat van geen ophouden weet, zelfs tegenover een gezag dat niet wijken wil, sterker nog: dat onrechtvaardig is. De weduwe gaat steeds weer naar de rechter, zo lezen we, en steeds weer verzoekt ze: doe mij recht! Ten langen leste kiest de rechter eieren voor zijn geld en wordt de weduwe recht verschaft, niet omdat de rechter opeens rechtvaardig is geworden, maar omdat hij bang is dat de vrouw hem aanvliegt. Zo’n man. Kille berekenaar. Angsthaas. Jezus zegt: als deze slechte rechter al zwicht voor het onophoudelijke gerammel aan zijn deur, het nooit opgegeven verlangen naar leven dat recht wordt gedaan, hoeveel te meer zal God zelf dan ons onophoudelijke verlangen naar die tijd waarin alles anders is, dat leven waarin alles goed is, vervullen. We hoeven geen genoegen te nemen met minder. Bid onophoudelijk en geef niet op. Roep, dag en nacht. Bezet alle kruispunten. Laat niemand meer door, totdat iedereen van die roep, dat appèl doordrongen is.

Het verhaal dat we vandaag horen, roept ons op tot verlangen, onophoudelijk verlangen. Nooit opgeven. Ja, drammen. Protest aantekenen, om recht vragen waar dat moet worden gedaan. De hemel naar de aarde toe bidden. Dat verlangen heeft een richting: het rijk van vrede en gerechtigheid, en het wordt gelokaliseerd: in een weduwe. Ik geloof dat Jezus zijn woorden en zijn beelden niet zomaar kiest. Hij kiest hier niet zomaar voor een weduwe: een machteloze, een aangevochtene, een overgeleverde. Juist in haar lokaliseert Hij het verlangen naar recht, in een omgeving waar niets te verwachten valt. Jezus doet dat voortdurend: het rijk van de vrede verbinden met het onaanzienlijke, in wat je figuurlijk en letterlijk over het hoofd ziet. In de perikoop na dit verhaal voert Jezus ten tonele wie volgens hem de erfgenamen zijn van dat koninkrijk waar Hij steeds over spreekt. In een van mijn favoriete verhalen voert Hij daar de kinderen op. Hij zegt: sta hen niet in de weg, want als je niet als een kind openstaat voor het koninkrijk van God, dan zal je er zeker niet binnengaan. Hier gaat het niet over een fictieve weduwe in een gelijkenis, op zichzelf al concreet genoeg, maar over echte mensen die dicht bij Jezus worden gebracht, en nota bene door zijn eigen leerlingen worden tegengehouden. Ook hier worden weer mensen opgevoerd die niet meetellen, nog geen zonen (en dochters) van de joodse wet, niet volwaardig of gelijkwaardig, vindt men, en juist over hen zegt Jezus: wees zoals zij als je wilt weten wat het betekent om deelgenoot te worden van het koninkrijk van God.

Ik weet het, het klinkt wat akelig – altijd bidden en nooit opgeven, klinkt ons heel wat sympathieker in de oren, omdat het ons vertrouwde woorden zijn -, maar toch, ik zou wensen dat wij het zouden aandurven gehoor te geven aan Jezus’ oproep en in deze tijd zijn drammers te zijn. Het is toch ook niet het minste waar wij op aan mogen dringen, waarvoor wij lawaai mogen maken: het rijk van God, rijk van vrede en recht voor iedereen – en wij slaan daarbij niet op de deur van een onrechtvaardige rechter, maar op de deur van God zelf. En zou Hij geen gehoor geven? Ik wil niet al te gemakkelijk om deze vraag heen, maar als Jezus zegt dat het rijk van God steeds onder handbereik is, dan mogen wij dat aannemen, als wij het maar aandurven daar te drammen waar het nodig is, te onderscheiden waar vrede en recht moeten geschieden, waar het moet worden afgedwongen, en het aandurven dat, met het risico voor gek versleten te worden, dan ook concreet aan te wijzen; aanhoudend en voortdurend, zolang als het nodig, net zolang tot het onrecht waar we ons tegen verzetten, bezwijkt. Het lijkt misschien soms moeilijk Gods gehoor te onderscheiden, maar Hij hoort echt. In alle bescheidenheid wijs ik hier van harte op het wonder dat gebeurde na drie maanden onophoudelijk bidden in de Bethelkerk in Den Haag nog geen jaar geleden, aanhoudend en voortdurend, onafgebroken, om recht voor mensenkinderen, kinderen van asielzoekers, die zonder hun schuld onrecht aangedaan dreigden te worden. Ik krijg nog de rillingen, van pure vreugde, bij het bevrijdende applaus dat opklonk in de Bethelkerk, toen dat niet opgegeven gebed met gehoor beloond werd. God laat ons niet wachten, echt niet. Wat Hij van ons vraagt is altijd te bidden en nooit op te geven. Als de kinderen van onze tijd al drammen om het recht op een leefbare wereld, zonder de garantie dat er gehoor gegeven zal worden, hoe zouden wij dan niet naast hun, onze kinderen, kunnen gaan staan, wij die weten van onophoudelijk bidden en nooit opgeven, die leven in de hoop op en in de stellige verwachting van Gods bevrijdende zegen?

Amen

13 okt

ds. Jantine Heuvelink

Lezing: 2 Samuel 1

 

Inleiding op de Schriftlezing

Vandaag lezen we voor de zesde en laatste keer uit de boeken van Samuel over David.

David is gezalfd als koning van Israël, als opvolger van Saul, die de eerste gezalfde koning van Israël is. Saul heeft in de loop van zijn koningschap de verkeerde keuzes gemaakt en naar eigen inzicht gehandeld in plaats van te luisteren naar God. Toen hij eens de Amalekieten, een vijandig volk, moest vernietigen, heeft hij dat niet gedaan zoals God hem opdroeg, want hij hield een deel van de buit voor zichzelf. (1 Samuel 15) Daarom verkiest God een andere koning, David. Saul is jaloers op David en op zijn successen waaruit duidelijk blijkt dat God David verkiest boven Saul. Saul wil David doden en jaagt op hem.

Vorige week lazen we het verhaal waarin Saul op zoek is naar David om hem te doden en ineens de situatie zich voordoet waarin David Saul kan doden. ‘Dit is je kans’, zeggen de mannen van David, ‘doodt Saul’. Maar David doet het niet. ‘Want’, zegt hij, ‘God verhoede dat ik de hand sla aan de Gezalfde van de Heer’. En daarna spreekt David tegen Saul: ‘Zie, ik had je kunnen doden, maar ik deed het niet. Geloof je nu dat ik niet uit ben op jouw ondergang? God zal mij recht verschaffen’. En Saul erkent dan volmondig: ‘Jij hebt kwaad met goed vergolden, jij zult koning over Israël zijn.’

Tussen deze lezing van vorige week en die van vandaag staan zeven hoofdstukken die we overslaan. Hoofdstukken waarin eerst David en zijn mannen nog steeds op de vlucht zijn voor Saul. Daarna trekken de Filistijnen opnieuw ten strijde tegen Saul en het volk Israël.

David gaat ondertussen achter de Amalekieten aan, die zijn woonplaats Siklag in de as hebben gelegd en alle vrouwen hebben weggevoerd.

Terwijl David in het zuiden slag levert met de Amalekieten en hen verslaat, vecht Saul met zijn zonen in het noorden in het gebergte van Gilboa tegen de Filistijnen. Daar komen velen van de Israëlieten om, waaronder Saul en zijn zoon Jonathan.    

 

 

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

 

Kun je rouwen om de dood van iemand die je naar het leven stond?

Hoe is het te begrijpen dat David rouwt om Saul?

 

Het doet mij denken aan de tijd dat ik als studentenpastor rouwgroepen begeleidde. Ik herinner me een studente van wie de vader was overleden. Ze had haar vader, op het moment dat hij stierf, al jaren niet gezien. In haar vroege jeugd mishandelde hij haar moeder, haar zus en haar zelf en had een verbod gekregen om contact met hen te zoeken. Jarenlang was ze bang voor hem geweest en nu was hij dood en had zij groot verdriet.

Waarom, vroeg ook zijzelf zich af. En we ontdekten dat het verdriet was omdat er nu geen kans meer was dat het ooit nog goed zou komen. Nooit zou ze een andere kant van haar vader meemaken. Ze verloor definitief de vader die er niet voor haar geweest was.

 

Dat David rouwt om Saul, lijkt vreemd, omdat Saul hem dood wenste, maar het past bij David zoals we hem in de verhalen tot nu toe hebben leren kennen: God is er ook nog. Alleen daarom al zal David Saul nooit kunnen haten. Saul is immers door God zelf aangewezen en gezalfd als eerste koning van Israël. Net als toen in de spelonk, toen David Saul kon doden, maar het niet deed, zegt hij ook hier ‘God verhoede dat iemand de Gezalfde van de Heer geweld aandoet’.

Wat toen gaande was en hier gaande is, stijgt boven een persoonlijke tweestrijd uit.  

Saul en David zijn geen vijanden, zij zijn als vader en zoon, verbonden in hun dienst aan God, die hen beiden heeft uitgekozen. Die vader en die held Saul te moeten missen, zo lang al en nu definitief, daarover heeft David verdriet.

 

En dus heeft die Amalekiet het helemaal verkeerd als hij denkt dat hij in een goed blaadje komt bij David, misschien zelfs wel rijkelijk beloond zal worden, als hij komt vertellen dat hij Saul heeft gedood. Er is bovendien alle reden te twijfelen aan wat hij vertelt over hoe het gegaan is en welke rol hij speelde. (Zie 1 Sam 31).

David hoort maar één ding en dat is dat Saul en Jonathan zijn gestorven. En hij hult zich in rouw. Pas in tweede instantie realiseert David zich nog iets: namelijk dat deze Amalekiet die voor hem staat zegt dat hij de hand geslagen heeft aan Saul, de Gezalfde van de Heer.

Hij is daarin typisch een Amalekiet, iemand van het volk Amalek, dat bekend staat om hun kwaadaardigheid en dat ze geen genade kennen voor wie zwak zijn.

Deze Amalekiet probeert Saul en David tegen elkaar uit te spelen, hij verwacht dat David blij is met zijn bericht. Maar zo is het niet, hij tekent juist zijn eigen doodvonnis.

 

2. Voor ons als lezers is deze gebeurtenis aanstootgevend. Dat David, over wie gezegd is dat hij kwaad met goed vergeldt, nu pardoes een jonge man laat doden, je schrikt ervan.

Ik hoop dat u alsnog het perspectief van David mee kan maken, dat deze Amalekiet in alle opzichten het kwade vertegenwoordigt, omdat hij God onteert door zijn gezalfde te doden én doordat hij verwacht dat David zal dansen op het lijk van Saul. David maakt korte metten met deze gedachte én met deze man die de koning van Israel heeft vermoord.

 

David rouwt om wie en om wat verloren is gegaan.

Saul is dood en zijn koningschap is mislukt. Nooit zal Saul meemaken dat David koning wordt. En Jonathan, die met al zijn liefde voor David heeft gezegd: ‘Jij zal koning zijn over Israël en ik zal je tweede man zijn’. Nooit zal het zover komen.

Wat is het verschrikkelijk misgegaan met alles wat God zo goed voor ogen had.

 

David rouwt. En hoewel de naam van God in het hele lied niet voorkomt, wordt in die rouw nu juist God zichtbaar. In het lied dat David zingt, klinkt door hoe het ooit bedoeld was en wat het niet is geworden. Niet een strijdlied leert David aan zijn mannen, maar een lied met verdriet om wat niet was en om wat zo jammerlijk is afgelopen.

Het lied heet het ‘lied van de boog’ en hoewel de strijdboog van Jonathan erin wordt beschreven, is het meer waarschijnlijk dat het lied zo heet vanwege de boog van het verbond, de regenboog. Dat is immers het symbool van het verbond dat God sloot met de mensen, dat de aarde leefbare aarde zou zijn en dat God de aarde nooit meer zou vernietigen.

 

Dit lied moeten alle Judeeërs leren, het lied waarin niet vijandschap, maar broederschap doorklinkt. Het lied waarin David met God mee rouwt over de helden die zijn gevallen, helden van Israël, uitverkoren door God, maar omgekomen in de al te menselijke strijd.

 

3. En zo sluiten we de lezingencyclus over David af met dit hoofdstuk dat geheel gewijd is aan rouw over Saul en Jonathan. Blijkbaar is het rouwen heel belangrijk voordat het verhaal van God met David verder kan gaan.

David zet bovendien met zijn lied de toon van hoe hij koning van Israël wil zijn: hij verlangt naar wat goed is in Gods ogen: geen vijandschap, maar broederschap. Niet handelen naar eigen inzicht, maar constant open houden: God is er ook nog. David verlangt naar een leefbare aarde, waarin ieder tot z’n recht mag komen en niemand afgeschreven wordt.

 

In dit hoofdstuk is er alle ruimte voor verdriet, verdriet om wat niet goed gaat in deze wereld, verdriet om wat doodzonde is aan hoe het soms met en tussen mensen gaat, verdriet om wat ooit zo goed begon en toen fout liep, verdriet om een dierbare liefde die verloren ging.

 

Het verdriet van David maakt het perspectief van God zichtbaar: Het is niet goed gegaan.

Tegelijk overstijgt David het vijandsdenken en spreekt uit zijn lied verlangen naar wat er veel meer had kunnen zijn en zal moeten zijn. Zijn lied is een hartenkreet, die ik van harte wil beAMEN.