10 feb 2019

Ds. Hanna van Dorssen

Lezing: Ester 5 en 6


Het geschiedde op de derde dag, zo begint de lezing van vandaag. Woorden waarbij je in de Bijbel je oren spitst, want zij betekenen: nú gaat er iets gebeuren, iets dat verschil maakt.

Ester trekt haar koninklijk ambtsgewaad aan, dress to impress, dat doet ze na drie dagen vasten. Ze voelt zich gesterkt door de solidariteit van haar volk en ze gaat ‘staan’, recht tegenover de koning. Ze zet daarbij zondermeer haar leven op het spel. Ester is hier allesbehalve de tegenpool van koningin Wasti, die óók opstond tegen de koning en ‘nee’ zei. Deze twee vrouwen aan het hof strijden allebei voor menselijkheid, voor eerbied bij het omgaan met elkaar.

En dan opnieuw die woorden ‘en het geschiedde’, nú spant het erom, wát zal de koning doen als hij Ester voor zich ziet staan? Is het afgelopen, net als met Wasti? Nee, hij toont zowaar zijn menselijk gezicht. Hij ziet haar staan en reikt haar de gouden scepter aan.

Dat kan ook ons overkomen. Dat er ineens iemand tegenover je staat, iemand die je uit je evenwicht brengt. Die verkoper van de daklozenkrant, die jou vriendelijk gedag zegt bij de uitgang van de Albert Heijn, maar je hebt geen stuiver op zak om de krant te kopen.

Ga je terug naar de kassa om te pinnen? Of die jongen die over Jezus zingt bij het CS en voor je wil bidden… Meestal loop ik dan gehaast en wat schuldig door. Een beetje beschaamd. Zie ik hen wel staan?

Ester zet haar leven op het spel, maar ze speelt zelf ook een uitgekiend spel. Ze heeft zich goed voorbereid en ze voert de spanning op. Mordechai heeft haar gevraagd bij de koning te pleiten voor haar volk. Maar hier in het paleis staat ze er alleen voor. Ze gaat haar eigen weg, daadkrachtig en volgt haar eigen strategie. Ditmaal richt niet de koning, maar de koningin een feestmaal aan, op haar eigen terrein.

‘Als het de koning goeddunkt: laat de koning dan vandaag met Haman naar het feestmaal komen dat ik voor hem heb aangericht’, zegt ze. Bij de tweede uitnodiging zegt ze het heel subtiel net even anders: ‘laat de koning dan met Haman naar het feestmaal komen dat ik voor hen zal aanrichten’. Staan de koning en Haman die tweede keer op het zelfde level? Wat is hier aan de hand?

Ester wil jaloezie bij de koning opwekken zegt een joods commentaar uit de 16e eeuw. Of is het een slimme manier van haar om Haman het idee te geven dat hij het middelpunt is van haar aandacht en ervoor te zorgen dat hij de volgende dag zeker zal komen? In ieder geval begint er iets te schuiven want die nacht kan de koning niet slapen. Heeft hij het gevoel dat er iets niet klopt, dat hij zijn positie verliest ten koste van Haman? Wie zijn hem eigenlijk goed gezind? De Talmoed, een joods commentaar bij de Bijbel, zegt dat Ester met haar uitnodigingen bij de koning bereikt wat zij wilde: het wantrouwen wekken van de koning tegenover Haman. En Haman? Bij hem gebeurt het omgekeerde, hij laat alle sluwigheid varen. Ik ben binnen, denkt hij bij die tweede uitnodiging.

Die nacht laat de koning zich voorlezen uit de annalen van het hof en ontdekt hij iemand die het voor hem heeft opgenomen, Mordechai. Toen die hoorde van een geplande aanslag op de koning heeft hij dat via Ester doorgegeven aan het paleis en zo is de aanslag verijdeld. Maar zijn redder in nood is daarvoor nooit beloond. Daar moet verandering in komen en wel onmiddellijk.

Inzichten kunnen ons soms zomaar toevallen in de nacht. De nacht kan voorbode zijn van het licht, dat uiteindelijk het laatste woord heeft in de Bijbel.

Mordechai weigert te knielen voor de nacht. Voor Haman. Hij blijft rechtop staan. Hij is een kind van het licht. Daar wil hij zijn leven door laten bepalen. Hoe moeilijk ook, want de nacht kan je helemaal in zijn greep krijgen. Daar heeft ieder mens weet van. Ineens stapt er een Haman je leven binnen en gaat het licht uit. Je verliest iemand, jij of een naaste wordt ernstig ziek, een baan of een uitkering komen in gevaar. Je staat op je grondvesten te schudden. Alles wat goed liep lijkt te worden opgeslokt door het duister. Lichtvoetig door het leven gaan, het lijkt onmogelijk, niet langer bereikbaar.

Wat nù volgt is misschien wel het geinigste hoofdstuk in heel de Bijbel. Het is nog nacht, maar Haman staat al in de voorhof van het paleis. Vol van zijn plan om Mordechai op de paal te spietsen die hij voor hem heeft opgericht. Zeven verdiepingen hoog, het getuigt van een idiote grootheidswaanzin. Vanaf dat moment praten de koning en Haman volstrekt langs elkaar heen. De koning wil Mordechai belonen en overladen met eer maar noemt geen naam. Haman denkt dat het over hem gaat. Er ontstaat een bijzonder geinige spraakverwarring terwijl de lezer van alles op de hoogte is. En dan komt ook uit dat Haman inderdaad wel eens belust kan zijn op de troon. Als hij beschrijft hoe je een man moet eren in wie de koning een welgevallen heeft, gebruikt hij zevenmaal het woord koning, het ligt hem voor op de lippen. Hij wil zich kleden in het ambtsgewaad van de koning, rijden op het paard van de koning, wat nog ontbreekt is de vrouw van de koning.

Maar kom daar eens om in de Bijbel, daarin worden keer op keer rollen omgekeerd: Mordechai gaat nu te paard, koninklijk gekleed en Haman gaat te voet, in zak en as. Zijn super ego dat hem heeft verblindt valt in duigen. En nog vóórdat Ester zich heeft uitgesproken tegen Haman, bij het tweede feestmaal, hebben haar woorden van lang geleden al hun uitwerking. Ze heeft toen al een zaadje geplant van bevrijding, van een plantje dat nu dwars door het asfalt heen breekt.

Wat een troost dat middenin dat machtige mannenbolwerk van het paleis een vrouw woont, die hoort bij de God, die zegt: ik zal er zijn voor jou, ik laat jou niet alleen, ik ben erbij in het midden van die nare donkere nacht, ik houd je vast. Een vrouw die hoort bij dat beloofde land waar ballingen thuiskomen, waar de koning niet regeert zonder een profeet, die hem bij de les van vrede en gerechtigheid houdt.

In de Talmoed wordt Ester niet voor niets onder de zeven vrouwelijke profeten gerekend. Haar naam staat fier tussen die van Sara, Mirjam, Debora, Hanna, Abigaïl en Chulda. Haar profetische stem leek verborgen, passend bij de betekenis van haar naam, Ester,

ik ben verborgen. Maar dat gaat niet langer op. Alles keert om. Haman’s positie begint te wankelen. ‘Jij bent begonnen te vallen’, zeggen zijn vrienden en zijn vrouw tegen hem.

Het verhaal van Haman verwijst naar een aantal andere verhalen in de Bijbel. De verhalen over Amalek. Zij maken onderdeel uit van een vertelmotief dat kunstig door het hele Oude Testament is heen geweven.  Haman wordt in het boek Ester voorgesteld als een Agagiet. Dat zegt ons niet gelijk zoveel. Maar koning Agag is de koning, waarmee Saul de strijd aanbindt op bevel van de profeet Samuel. Want Agag is een Amalekiet. En Amalek is niet zomaar een volk. Het staat symbool voor het lafhartig aanvallen van het volk van God, als zij als bevrijde slaven de woestijn doortrekken, op weg naar het beloofde land. Amalek pakt de achterhoede, de mensen die langzamer zijn. De ouden van dagen, de kinderen, de vrouwen, de zieken. Hij heeft het op de weerlozen gemunt. Amalek is de belichaming van het onrecht in de wereld. Alles wat hij doet staat in schril contrast met dat waar de God van Israël voor staat. Die God kiest juist voor de weerlozen, voor de geringe.

Koning Saul liet koning Agag in leven. Het was de profeet Samuel die de volgende dag met hem afrekende. Precies in die ene nacht verwekte Agag Haman zegt de joodse traditie. Zó gaat het kwaad verder en steekt het opnieuw zijn kop op. Dit keer in het Bijbelboek Ester. Maar in dit boek zal er eindelijk definitief met Amalek afgerekend worden. Dankzij Ester. Dat voorspellen nu de vrienden en de vrouw van Haman.

‘Gedenk Amalek’ schreven mensen als graffiti op de muren in de Tweede Wereldoorlog. Als troost, als teken van verzet en met het geloof dat het kwaad opnieuw verslagen zou kunnen worden zoals in het boek Ester.

Er is een stem uit diezelfde tijd die ik hier aan het woord wil laten, die van Etty Hillesum, vernoemd naar haar Bijbelse voorgangster. Ze schreef een dagboek, waarmee ze de humaniteit hoog wilde houden, waarmee ze dwars in ging tegen alles wat dat belaagt. Nu bijna 77 jaar geleden, schreef zij op donderdag 19 februari 1942 het volgende:

‘Het was wel troosteloos op college vanmorgen. En toch was het niet helemaal troosteloos. Er was een lichtpunt. Een kort onverwacht gesprek. Wat is dat toch in de mens om anderen kapot te willen maken, vroeg Jan. Ik zeg: de mensen, ja de mensen, maar bedenk dat je daar zelf ook onder valt.
Die rottigheid van de anderen zit ook in ons. Ik zie geen andere oplossing dan in je eigen centrum in te keren en daar uit te roeien al die rotheid. Ik geloof er niet meer aan dat we in de buitenwereld iets verbeteren kunnen, wat we niet eerst in onszelf moeten verbeteren. En dat lijkt me de enige les van deze oorlog. Dat we geleerd hebben dat we het alleen in onszelf moeten zoeken en nergens anders. En het waren toch géén theorieën die we verkondigden. Onze professoren zitten gevangen, er was weer een vriend van Jan kapot gemaakt en er was te veel om op te noemen en we zeiden tegen elkaar: het is zo goedkoop, die wraakgevoelens. Dat is toch heus een lichtpunt vandaag.’

Twee vrouwen met dezelfde naam, die het licht willen aansteken waar de nacht heeft toegeslagen. En die ons vragen of wij dat licht voor elkaar hoog willen houden.
Tot slot.
In het hele boek Ester komt de naam van God niet voor. Waarom niet?
Nico ter Linden schrijft daarover:

Is het heilige huiver die de verteller ervan weerhoudt
om in tijden van gruwelijke vervolgingen nog over God te spreken?

Wil de verteller dat zijn lezers zelf een antwoord vinden
op de vraag of God in het verhaal voorkomt
of dat alles bij toeval geschiedt?

Hoe dan ook: áls God in dit mensenverhaal aan het werk is,
dan is dat in het verborgene.
En dat is dan ook precies wat de naam Ester betekent: Ik ben verborgen.

Wie is die Ik?

Is het God òf is het Ester? Ook dat blijft verborgen.

Tot zover Nico ter Linden.

Ik of jij.

Eén mens kan de nacht verlichten en verschil maken tussen goed en kwaad.

Jij òf ik. Amen.

kerstmorgen

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezingen: Jesaja 11: 1-10, Lucas 1: 26-31 en 2: 8-20, Johannes 1: 1-5, 14.

 
Inleiding op de Schriftlezingen
Er zijn vanochtend vier lezingen. De eerste lezing uit de Profetie van Jesaja vertelt ons over de Messias die eens zal komen en die redding zal brengen. Deze Messias zal voortkomen uit het geslacht van David, met Hem breekt het Rijk van Vrede aan. Het is goed te begrijpen dat mensen door deze woorden van Jesaja in Jezus van Nazareth de Messias hebben gezien. Wij zullen de woorden van Jesaja samen zingen.
Uit Lucas horen we de aankondiging van de engel Gabriel aan Maria dat ze zwanger zal worden en een zoon zal baren die ze Jezus, letterlijk ‘God redt’, moet noemen.
En we horen over de herders die van een engel horen ‘In de stad van David is jullie  redder geboren. Hij is de Messias, de Heer’.
Het Johannes evangelie ten slotte spreekt over het Woord van God dat mens geworden is, dat een licht voor de mensen is en dat schijnt in de duisternis.
Al deze woorden van Jesaja, van Lucas en van Johannes wijzen ons op de wereld zoals die is, vol duisternis, vol nood, vol roep om bevrijding. En allemaal geven ze de boodschap mee ‘Wees niet bang’. Soms letterlijk, soms met andere woorden. Laten we zingen en luisteren.
 
Overweging
1. Gemeente van Jezus Christus,
 
Het meisje, ze is zó bang, dat ze niet durft te vertellen waarvoor. Ze is bang dat als ze het hardop vertelt, dat het dan nog echt gebeurt ook, waar ze zo bang voor is.
De vrouw, ze is bang, want hoe moet het nu verder, nu ze niet meer kan wat ze altijd kon. Als klaar staan voor anderen niet meer lukt, wat moet ze dan nog? Wie is ze dan nog?
De man, angst in de ogen, loopt met zijn kind langs de grenzen, op zoek naar  toegang, waar is een doorgang in dit leven?
Angst, bang zijn, het is aan de orde van de dag. Is het daarom dat ‘Wees niet bang’ zo vaak in de Bijbel staat, voor elke dag een keer?
 
2. Bang zijn, het is ook een gelovig mens niet vreemd. En om te horen dat je niet bang moet zijn, maar vertrouwen moet hebben. Ja, dat is waar. Maar helpt het?
 
Bang zijn voor het smelten van de ijsbergen ver weg, of voor opmerkingen vol haat dichtbij, wie zal zeggen dat die angst niet nodig is?
We moeten hiervoor juist wel bang zijn, anders zal er zeker niets ten goede veranderen in deze wereld aan het gedrag van ons mensen, aan het werken aan vrede.
 
‘Wees niet bang’ is in de Bijbel dan ook geen stoplap, geen ontkenning van een gevoel. Maar het is een oproep om niet te blijven vastzitten in angst, maar om in beweging te komen. Op twee manieren klinkt deze boodschap in de Bijbel.
 
Aan de ene kant is er de angst voor wat er gaande is in de wereld die ons kan doen verlammen, ons kan doen wanhopen. Voor die angst geeft de Bijbel ruimte, die angst mag je uitroepen, ervaren. En, daar blijft God bij. Dat is wat we horen, zoals in de psalmen: ‘Ik houd mijn oog gericht op de HEER, mijn hart is vol van angst’ (Psalm 25)
De andere angst waar sprake van is in de Bijbel daarover lezen we bij Maria en de herders. Zij zijn bang, zij schrikken, maar niet om wat er gaande is in de wereld, maar vanwege God die aan hen verschijnt in de vorm van een engel. Hun schrik betreft hun eigen positie. Wie zijn zij in het overdadig stralende licht van God? Wat staat hun te wachten dat God hun aanspreekt?
Heel wat, dat blijkt! Hun levens zullen worden omgekeerd, voorgoed. En dat is angstaanjagend. Of beter, dat kan het zijn, als je liever blijft zitten waar je zit.
Maar de engel zegt tegen Maria en tegen de herders ‘Vrees niet’. Want angst hoeft niet hun antwoord te zijn op de ontmoeting met God die plaatsvindt. Die ontmoeting met God is niet bedoeld om hen te overweldigen.
En ook de levensveranderende gebeurtenis die wordt aangekondigd, Maria die zwanger zal worden, de herders die hun redder zullen zien, die gebeurtenis daarvan hoeven ze niet bang te zijn zichzelf daarin kwijt te raken. Ze zullen zichzelf er juist in vinden.
 
Maria, zij is wijs, laat zich gezeggen dat ze niet bang moet zijn. Ze omarmt de boodschap, haar nieuwe rol, die van moeder van de Zoon van God. Ze vreest niet voor die rol, ze ziet het als voor haar weggelegd, de minste die opgeheven wordt.
En de herders, zij doen wat ze gehoord hebben, ze gaan het kind zien. Wat hebben ze ook te verliezen?
 
3. Bang zijn voor het verliezen van lijf en goed, bang zijn voor onze toekomst en die van onze kinderen, dat is één. Bij die angst helpt het als een ander, of de Bijbel, ons zegt ‘Vrees niet’, zodat we ook blijven zoeken naar vertrouwen, naar leven.
 
Maar die angst voor God die inbreekt in ons leven, die ons op een ander plan zet, dat is een andere angst. Is die voor ons herkenbaar? De angst om los te laten wat onze vaste positie is, omdat we worden geroepen naar een nieuwe rol, een nieuw vertrouwen?
 
Misschien kan het verhaal van kerst ons zo loswrikken, dat we - tot onze schrik misschien -  ontdekken dat God juist in de verandering ook dichtbij kan komen.
We hebben God niet te vrezen. God wil ons niet overweldigen, maar ons onszelf doen vinden.
 
4. ‘Wees niet bang’ – wanneer hoorden we dat onszelf of een ander voor het laatst zeggen? Zeggen en horen we het wel genoeg? Om staande te blijven in deze wereld en in ons geloof, zouden we het als boodschap boven ons bed kunnen hangen.
En dan zouden we er nog iets aan toe kunnen voegen van wat dan wel.
Wees niet bang, maar vertrouw zoals Abraham. (Gen 15:1)
Wees niet bang, maar ga mee in wat God je vraagt, zoals Maria,
Wees niet bang, maar ga op weg om je ogen te geloven, zoals de herders.
 
Niet vrezen, niet bang zijn, daar begint het mee. Want natuurlijk zijn we bang als we overvallen worden door chaos en ellende in ons leven, en ook een boodschap van God kan ons uit het lood slaan - maar wij hoeven niet te wijken. 
In het verhaal van God hebben wij een plaats.
Dus laten we plaats maken voor het verhaal van God.
Wees niet bang!
Amen.

23 dec

4e advent

ds. Piet Kooiman

Lezing: Openbaring 14:1-13 en Lukas 1:46-55


Lieve mensen in de Oranjekerk, gemeente van Christus,

Het boek Openbaring is een wonderlijk boek. Vandaag sluiten we een serie lezingen af over Openbaring. En je kunt je afvragen of je die afronding kunt typeren met het gezegde ‘eind goed, al goed’.

Dat zou wel mooi zijn. Het zou beantwoorden aan onze behoefte aan duidelijkheid en aan het sprookjesideaal dat uitmondt in de slotzin: ‘En ze leefden nog lang en gelukkig.’ Bovendien zou het een mooie opmaat zijn naar het kerstfeest dat nu zo dichtbij is: een feest van licht, een boodschap van vrede.

Toch laat het verhaal van vandaag zich zo gemakkelijk niet inpassen. En dat is ook wel te begrijpen als je bedenkt met wat voor bijbelboek we te maken hebben en dat we vanmorgen a.h.w. nog midden in dat boek zitten. Want Johannes is nog niet uitgesproken. Zijn perspectief is wel dat van het nieuwe Jeruzalem, dat van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Maar daar kan hij nu alleen nog maar van dromen.

Deze schrijver is een balling van het machtige Romeinse rijk. In de openingsverzen laat hij weten dat hem dit is overkomen omdat hij ‘over God had gesproken en van Jezus had getuigd’. (NBV)

Hij ziet visioenen. Ik stel me daarbij altijd voor dat Johannes dromen droomt die hij zich dan achteraf goed kan herinneren. Hij ziet scherp. En hij schrijft erover is geheimtaal. De Romeinen zullen niet direct doorzien dat hij het over de keizer heeft als hij een verhaal vertelt over een draak met zeven koppen. Maar de gelovigen van die tijd hebben daar geen moeite mee. Die weten wel hoe allesverslindend de macht van de keizer is. En ze zullen een glimlach nauwelijks kunnen onderdrukken als ze merken dat Johannes daar een beetje de draak mee steekt…

Openbaring onthult wat verborgen is in onder de oppervlakte van het alledaagse en van de geschiedenis. Apocalyps betekent ‘het deksel er af’. Het is alsof je bij Openbaring even van bovenaf kunt kijken naar wat er gebeurt. Daarbij spelen onze vragen mee: hoe zit het met het kwaad? Het lijkt er toch wel op dat dat steeds weer het laatste woord heeft. Klopt dat? Fake-nieuws, presidenten en ministers die liegen en er mee weg komen, een prins die een moord op een kritische journalist beraamt. Zeg er maar eens wat van als er voor miljarden wapencontracten zijn afgesloten. Ach, het ebt wel weg…
Heeft het kwaad het laatste woord?

Johannes droomt van een wereld waarin het vrede is, waar mensen tot hun recht komen en waar dus recht wordt gedaan. Maar hij ziet ook scherp waaraan het schort in zijn - (en ik zou zeggen ook in onze) wereld. De tegenstelling tussen die twee, ideaal en werkelijkheid, schildert hij met felle kleuren.

Het Romeinse Rijk en wie daar voor staan noemt hij Babylon, het hoerige Babylon. Niet eens zozeer vanwege seksuele misdragingen, maar vanwege de ontrouw aan de menselijkheid en de aanbidding van macht en geweld. En je komt het overal tegen, zegt hij: ‘ze zit aan vele wateren’.

Daartegenover staan de 144.000. Ze staan met het lam op de berg Sion. De plaats waar de Eeuwige zijn volk ontmoet. Voorbode van het nieuwe Jeruzalem, de stad van God, stad van eeuwige vrede.
Zij zijn het die het lam volgen waarheen het ook gaat. In het lam dat geslacht is herkennen we Jezus en zijn weg naar het kruis. Maar dat hij daar als levend verschijnt verwijst ook naar Pasen, naar zijn weg door de dood.

Die 144.000 staan voor Israël als eersteling van de volken. Die volken komen er in mee. En ze zijn puur en rein. Je kunt gemakkelijk op het verkeerde been worden gezet, althans zo verging het ook mij toen ik deze tekst las, door de vermelding van hun reinheid. ‘Ze hebben zich niet met vrouwen bezoedeld’. Hè? Denk je dan? Zijn vrouwen soms iets besmettelijks? Kunnen mannen maar beter uit hun buurt blijven als ze goed willen leven in Gods ogen?
Hier is het van belang om te begrijpen dat die maagdelijkheid staat tegenover het beeld van Babylon. Dat van de machtswellustelingen die zich vergrijpen aan wie kwetsbaar zijn en geen macht hebben; die fakenieuws rondstrooien als het hun goed uitkomt en die geen respect hebben voor het belang en zelfs niet voor het leven van anderen. De mensen van het kortzichtige eigenbelang die geen naaste zijn voor degenen die alleen al door te bestaan een hulpvraag vormen.
Maagdelijkheid betekent in de bijbel toewijding aan het Woord van God. Niemand heeft dat bondiger en beter onder woorden gebracht dan Maria toen ze de engel Gabriel antwoordde: “Zie de dienstmaagd des Heren. Mij geschiede naar uw woord.”
Van haar horen we ook in haar magnifieke lied hoe de machtigen er voorstaan in het rijk waarvan haar zoon de voorbode is: machtigen heeft hij van de troon gestoten en eenvoudigen verhoogd.
Johannes laat in Openbaring vandaag zien dat het behoren tot die 144.000 die een nieuw lied zingen óf tot degenen die het beest aanbidden een kwestie is van kiezen. Het is niet iets dat je overkomt bij toeval of door het besluit van een hogere macht. Het is een kwestie van kiezen, zelf kiezen. Of misschien nog wel meer een kwestie van kiezen wat je doet. Van je de praktijk van je leven. Dat zit vooral in de woorden aan het einde van de lezing: zalig de doden, die in de Heer sterven van nu af aan; ja, zegt de Geest, dat ze mogen uitrusten van hun moeiten, want hun werken volgen hen na!

In de droom van Johannes geldt dat ook voor de geweldenaars en degenen die misbruik maken van de kwetsbaarheid van medemensen. In felle kleuren wordt geschilderd hoe ook hun daden a.h.w. als een boemerang tot hen terugkeren.

Goede werken. De reformatie heeft alles gezet op de kaart van de genade van God. Bij Luther en Calvijn hebben goede werken en vooral de beloning ervoor afgedaan. Als reactie op misstanden te begrijpen, maar toch ook eenzijdig. Hun werken volgen hen na. Wat je doet telt in Gods ogen.

Lieve mensen, zo ziet Johannes dat in zíjn visioen, zíjn droom.
Maar wat zegt dat mij, zo vlak voor het Kerstfeest?

In de afgelopen week hoorde ik een liedje dat al vanaf het begin van de adventstijd op de site van Kerkinactie staat, ter begeleiding van de kerstcampagne. Een liedje van Stef Bos die dat zingt zoals alleen hij dat maar kan: Een beetje rauw maar toch poëtisch: “Geef licht”. Het begint zo:

Het wordt steeds vroeger donker
De winter is in zicht
Alles keert naar binnen
De gordijnen gaan weer dicht
De tijd staat op een kruispunt
Niemand weet waarheen
De schoonheid is soms ver te zoeken
De dromer staat alleen
 
Geef licht
Geef licht
Voor een uitweg uit het donker
Geef wat er vaak niet is
Geef licht Geef licht
Geef alles wat je hebt
Geef de liefde een gezicht.

Geef de liefde een gezicht.
Ik kan niets bedenken dat meer de moeite waard is dan dat. En ik kan het ook niet helpen bij die zin aan Jezus te denken wiens komst wij met het kerstfeest straks niet alleen vieren, wiens komst wij niet alleen verwachten, maar die ook elke dag kunnen bewerkstelligen in ons eigen leven. Een kwestie van kiezen. Omdat God kiest voor kwetsbare mensen. Mensen zoals wij.

Geef de liefde een gezicht. Dat is iets anders dan ‘eind goed, al goed’. Het is eerder de oproep voor een nieuw begin.

In de Naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest.

Zingen: 157a ‘Mijn ziel maakt groot de Heer’

9 dec

2e Advent

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezingen: Jesaja 40:1-11; Lucas 3: 1-6

 
Inleiding op de Schriftlezingen
Advent dat is de tijd waarin we uitkijken naar Hij die komt, de Redder van mensen. Al eeuwen wordt uitgekeken naar deze Messias. Profeten hebben zijn komst aangekondigd en de mensen opgeroepen zich daarop voor te bereiden door zich om te keren naar God.
Zoals de profeet Jesaja die de mensen in ballingschap troost door ze te zeggen: ‘de ellende gaat voorbij, maak de weg maar vrij, want de Heer zal komen en zal aan iedereen recht doen. Hij zal als een herder zorgen voor zijn schapen’.
Deze tekst staat centraal bij het Adventsproject van de kinderen vandaag. En dat niet alleen: we horen de profetie van Jesaja zo als eerste lezing en een gedeelte daaruit opnieuw in de tweede lezing, want de evangelist Lucas citeert uit de profetie van Jesaja als hij vertelt over het optreden van Johannes de Doper als wegbereider voor Jezus. Johannes doet wat Jesaja beschrijft: hij is de stem die roept in de woestijn en die de mensen oproept zich te bekeren en zo de weg vrij te maken voor de komst van de Heer.
 
De tekst van Lucas is een korte lezing met een bijzonder begin. De eerste twee verzen bestaan namelijk uit een opsomming van namen en functies van mensen die in de tijd van Johannes de Doper de macht hadden in het land en in de tempel. Blijkbaar is het belangrijk om te weten dat wat beschreven staat, echt gebeurd is en wel toen en daar. Maar tegelijk blijkt uit het vervolg van de tekst dat het moment waarop God tot Johannes spreekt, dat moment dat het erop aankomt, niet afhangt van of samenhangt met die grote namen. Het tegenovergestelde is waar. Zoals de theoloog Willem Barnard schrijft ‘Lucas voert hen alleen maar ten tonele om ze vervolgens af te laten gaan’. Want zij zijn slechts decor in het verhaal dat Lucas wil vertellen. God richt zich niet tot deze machthebbers, maar tot Johannes, de zoon van Zacharias, in de woestijn.
 
Overweging
1. Gemeente van Jezus Christus,
 
Johannes treedt op in een tijd waarin net als vandaag heel wat gaande is. Tiberius, Pontius Pilatus, Herodes, Filippus, Lysanias, Annas en Kajafas staan voor een wereld zoals wij die kennen: een wereld waarin het recht van de sterkste geldt, waarin minderheden in de verdrukking zitten, waarin regeren gaat met harde hand.
Johannes is ook een priesterzoon. Hij kent de belofte van God die stem krijgt in de Bijbel: ‘Ik zal er zijn’. Er komt een tijd dat God recht zal doen aan alle mensen, dan zullen we niet meer op hoeven zien tegen machthebbers, dan zal niet meer goed gepraat worden wat krom is, dan is er geen kloof meer tussen mensen, dan is er volop zicht op het goede dat van God komt.
 
Johannes maakt de weg vrij voor mensen door ze erop te wijzen dat je al in de verwachting van een nieuwe tijd kunt leven. ‘Laat je dopen’ zegt hij, ‘Begin opnieuw, en leef zo dat je tot je recht komt’.
 
Bij Johannes lopen de verwachting van een nieuwe tijd en de voorbereiding op die tijd in elkaar over. Hij laat zien hoe je die verwachting van Advent kunt léven.
 
2. En dat nu zou ik ook willen, de verwachting van Advent léven. Zo bezig zijn met Advent, Hij die komt, dat die verwachting van een nieuwe tijd, voelbaar wordt en zichtbaar. Dat je weet: het kan en het zal gebeuren.
 
Bij Johannes (net als later bij Jezus) valt op dat hij niet ingaat op de omstandigheden van zijn tijd, hij spreekt niet de machthebbers zelf aan, maar hij begint bij de gewone mensen. Die hebben zijn aandacht, de aandacht van de heersende macht krijgt Johannes vanzelf.
Johannes verzet zich niet tegen de wereldlijke macht, maar zet in bij de kracht van het woord van God en bij de mogelijkheid van mensen om een andere weg te kiezen.
 
Iets soortgelijks doet zich voor in de Bethelkerk in Den Haag waar al meer dan 550 collega’s en andere ambtsdragers zijn voorgegaan in een permanente kerkdienst van ruim 1000 uur om aandacht te vragen voor het kinderpardon en uitzetting van de familie Tamrazyan te voorkomen.
Ik ben er niet geweest en ik voel me er ook telkens een beetje ongemakkelijk bij, merk ik, dat dit gaande is, maar de berichten van mensen die erbij betrokken zijn of zijn geweest, raken me. Ze ervaren het als heel bijzonder, als intens inspirerend, als wow, wat is dit geweldig om daar te zijn en eraan bij te dragen.
Met de tekst van vandaag in gedachten is wat er toe doet, denk ik dit: het gaat om de kracht van het woord van God en de mogelijkheid van mensen om een andere weg te kiezen. Daar getuigt deze dienst van.
 
3. Johannes spreekt dat woord van God in de woestijn en daar roept hij mensen op zich te laten dopen en tot inkeer te komen, om zo vergeving van zonden te verkrijgen.
Johannes wordt aangesproken door God in die woeste ruimte, buiten het bereik van wie regeren, die plaats om God kwijt te zijn of juist te vinden, de plaats waar het erop aankomt. Ook voor de mensen die hij aanspreekt in die ruimte komt het erop aan: gaan ze door met het leven dat ze leiden, met alle hobbels en kronkels, of rechten ze hun weg, kiezen ze een nieuwe weg van leven, een weg de wél leidt tot God?
 
Staan wij in deze tijd ook voor zo’n keus? Kunnen wij wat afstand nemen van alles wat gaande is in de wereld en ervoor kiezen om een andere weg in te slaan?
Kunnen wij ons leven recht maken zodat er ruimte komt voor het recht van God en er daarmee iets van God zichtbaar wordt?
 
Als wij dat al verlangen, waar vinden we dan die nieuwe weg?
Johannes’ boodschap is helder: die weg moet je niet zoeken, die weg moet je gaan.
 
Ik was dan ook heel aangenaam verrast deze week op Facebook een Adventskalender aan te treffen die niet wilde inspireren met mooie teksten (laat staan chocolaatjes aanbiedt), maar die oproept tot elke dag een daad van goedheid doen zoals ‘Geef een compliment’, ‘lach naar iemand die je niet kent’, ‘geef wat van jezelf voor het goede doel’.
 
Natuurlijk, ik weet het, dit is niet het beginnen van een nieuw leven zoals waartoe Johannes oproept. Maar het is wel een oproep om niet af te wachten, maar vandaag en morgen te getuigen van de kracht die mensen hebben om het anders te doen. En een oproep om in ons dagelijkse doen te getuigen van de kracht van het Woord van God dat spreekt van andere tijden die komen en die nu al aan het licht kunnen komen.
 
Dus, voor iedereen die, net als ik, denkt: ‘Advent, daar zou ik meer bij stil willen staan’ is dit de boodschap: ‘Nee, niet stilstaan, Advent moet je doen!’.
Amen.

25 nov

Eeuwigheidszondag

ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Openbaring 7

 
Aandacht voor de kinderen
Waarom zijn die bloemen nu dood? vraagt Mirthe.
Ja, zegt mama, bloemen gaan op een gegeven moment dood.
Hebben ze niet genoeg water?
Ja soms is dat zo maar nu wel, kijk maar, er zit nog genoeg in de vaas.
Maar dat moet toch niet, dat ze dood gaan?
Nee, ja, het gaat zo.
Ik vind dat niet leuk.
 
En waarom gaan mensen dood? Hebben die dan soms niet genoeg water?
Ja dat kan, sommige mensen hebben niet genoeg water, of eten en dan gaan ze dood.
Maar andere mensen hebben wel genoeg water, maar dan toch kan het dat ze dood gaan, net als de bloemen, dat ze slap worden of knakken.
Ik vind dat niet leuk, zegt Mirthe.
Nee, zegt mama dat is ook niet leuk. Het is verdrietig.
 
Wacht maar, zegt Mirthe, als ik later groot ben, dan word ik de burgemeester en dan gaan de bloemen niet meer dood en de mensen ook niet.
Nou, zegt mama, dat zou fijn zijn.
 
En Mirthe weet het zeker, als zij het mocht bepalen, als zij de baas zou zijn, dan zou zij zorgen dat de mooie dingen, zoals bloemen en de lieve mensen, zoals haar oude buurvrouw, niet doodgaan. En dan zou ze daar ook niet meer verdrietig om hoeven zijn. En ze maakt meteen een plan, ze tekent de bloemen van toen ze nog mooi waren en ze stopt die tekening samen met een foto van haar lieve oude buurvrouw die dood ging in een map. En op die map schrijft ze: ‘Niet vergeten, nieuw plan voor later’.
 
Vandaag gaat het in de kerk om mensen die dood zijn gegaan en die we missen. Voor al die mensen gaan we vandaag een kaars aansteken en we noemen hun naam. Willen jullie helpen om de hele boom vol kaarsjes te zetten?
 
Wat we ook gaan doen, jullie in de Kinderkerk en wij in de grote mensen kerk, is horen over God die tegen de mensen heeft gezegd: dat is een goed plan, dat plan van Mirthe, dat de bloemen en de mensen niét meer doodgaan – dat is ook mijn idee! We gaan samen daarvan zingen ‘Nu gaan de bloemen nog dood’.
 
Inleiding op de Schriftlezing
Wij lezen vandaag volgens het alternatieve leesrooster uit het Bijbelboek Openbaring. Voluit: de Openbaring van Johannes. Dit laatste boek uit de Bijbel is een apocalyptisch geschrift wat betekent dat het een onthullend, openbarend boek is over wie God is. Alleen het boek gebruikt beelden en getallensymboliek die voor de vroege christenen rond 100 na Christus goed te begrijpen waren, maar die wij niet meer verstaan.
Daardoor leidt het boek Openbaring tot veel misverstanden. Je moet echt je best doen om al die beelden niet teveel vanuit onze eigen ervaring te begrijpen, maar te zien in het verband van toen. Daarom is het goed om te weten dat het boek Openbaring allereerst bedoeld was om de mensen die om hun geloof vervolgd werden in het Romeinse Rijk en die te lijden hadden onder het Romeins gezag te bemoedigen. Het is een aanmoediging om het uit te houden in deze wereld.
En in die aanmoediging heeft het ook ons wat te zeggen.
Kort gezegd is de boodschap: ‘Ja, het gaat van kwaad tot erger in deze wereld, maar het goede zal niet verloren gaan, en wie lijden worden niet vergeten, daar zal God voor zorgen’.
 
Overweging
1.
Gemeente van Jezus Christus,
‘Nu gaan de bloemen nog dood’, dat lied heb ik als kind ontelbaar vaak en vol overtuiging gezongen. En ik vond het een mooi en hoopvol lied. Maar toen ik twintig was hoorde ik tot mijn schrik iemand het lied afkraken. ‘Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw’, bah, wat een slappe hap, wat een passieve boodschap van ‘geloof nu maar, later maakt God alles wel weer goed’. 
Deze persoon leerde thuis een ander refrein bij het lied en dat gaat zo: ‘Bid maar, werk maar, alles wordt nieuw’. Want, zo leerde zij, wij moeten niet afwachten maar zelf aan de slag gaan om deze wereld mooier en rechtvaardiger te maken.
Oké, maar wat nu als beide niet lukt? Wat nu als wij én niet kunnen veranderen wat er gebeurt aan verdrietige en onrechtvaardige dingen in de wereld, én we ons ook niet kunnen neerleggen bij de koude, harde, werkelijkheid van hoe het leven loopt? Wat nu als ‘bid maar werk maar’ of ‘stil maar wacht maar’ beide niet voldoet?
Wat kunnen we dan doen?
Of beter: wat kan ons dan helpen, hoe kunnen we elkaar helpen?
 
2.
De man met het visioen, Johannes, doet het zo: Hij vertelt de mensen die lijden aan de wereld een visioen waarin de ellende van mensen ingebed is in een groter geheel. En in dit visioen klinkt door waar het uiteindelijk om draait, wat er uiteindelijk van eeuwigheidswaarde is, en dat is het beeld van een lam, een offerdier, een slachtoffer dat op een troon in de hemel zit en waar iedereen voor buigt.
Dat is een moeilijk beeld voor ons om te begrijpen. Ik probeer het uit te leggen:
Dit lam is onmiskenbaar een beeld van Jezus, een symbool van kwetsbaarheid.
En dat lam wordt vereerd.
 
Daarmee is dit beeld een omkering van het beeld waar in deze tijd, net als vroeger trouwens, vaak alles op wordt ingezet, nl. het beeld van een sterke onaantastbare leider. Het belang van overwicht hebben, en ook van doorzetten, flink zijn, je niet laten kennen, positief denken – daar wordt alle heil van verwacht.
Het beeld van Openbaring, dat lam op die troon, is daar de omkering van, het zegt ons: in kwetsbaarheid schuilt werkelijkheid, slachtoffers dié leren ons wat van waarde is om voor te strijden, het gaat in het leven niet om jezelf handhaven, maar om God, om liefde hoog houden.
En daarom staat iedereen, niet alleen 144.000 uitverkorenen uit Israel, maar ook nog een ontelbare menigte afkomstig uit de hele wereld voor die troon te juichen en te erkennen wie de Allerhoogste is om te aanbidden, namelijk een lam dat van lijden weet en dat daarmee ieder erkent die te lijden heeft.
Dat beeld heeft mensen bemoedigd in moeilijke tijden.
Niet als een goedkoop ‘Stil maar, wacht maar alles wordt nieuw’, maar als bevestiging dat God te vinden is in kwetsbaarheid, dat God staat aan de kant van wie lijden.

3.
Hebben wij wat aan dit beeld als wij overmand worden door verdriet, als we pijn lijden, als we zien hoe andere mensen lijden aan het leven en we niet weten wat we voor ze kunnen doen?
 
Mij helpt het dat dit Bijbels perspectief zo anders de nadruk legt op wat van waarde is.
In dit visioen van Johannes valt het licht op mensen die in het donker leven, en het wit van hun kleren dat oplicht in de hemel is zo wit omdat ze van lijden weten, wit is de kleur van onschuld, van overgave. Er staat dat hun kleren zo wit zijn omdat ze in bloed gewassen zijn, een bizar beeld, dat verwijst naar het lijden en de onschuld van de verdrukte mensen. 
Let op: met dit beeld van wie in de hemel zijn, wordt lijden niet verheerlijkt, zeker niet.
Het lijden heeft geen zin. En ik wil dat herhalen: lijden heeft geen zin.
 
Maar het is ook niet het einde, het is niet het laatste woord wat over mensen te zeggen valt.
Dat laatste woord is wel: jij bent van belang, jij doet ertoe. Jouw plek is die in het licht, bij God.
 
4.
Natuurlijk heb ik mij afgevraagd of deze tekst, of deze boodschap, nu helpt voor ons op deze dag. Zo’n moeilijk verhaal is nogal ongrijpbaar. Hoe mooi misschien ook, het blijft een vergezicht.
De laatste zinnen komen waarschijnlijk het meest dichtbij:
En hij die op de troon zit zal bij hen wonen. 16Dan zullen ze geen honger meer lijden en geen dorst, de zon zal hen niet meer steken, de hitte hen niet bevangen. 17Want het lam midden voor de troon zal hen hoeden, hen naar de waterbronnen van het leven brengen. En God zal alle tranen uit hun ogen wissen.’
 
Hier gaat het niet om ‘bid maar werk maar’ of om ‘stil maar wacht maar’.
Dit beeld geeft antwoord op de vraag ‘Houdt het een keer op? Dat lijden van mensen, ons verdriet, de tranen die stromen, houdt het een keer op?’.
En het antwoord is: ‘Ja, het houdt een keer op’.
Maar nu nog niet. Nu moeten we het nog uithouden.
 
God weet hoe we soms niet stil zijn, maar het uitschreeuwen, hoe we niet komen tot bidden, hoe niets uit onze handen komt, hoe we niet langer willen wachten, hoeveel pijn we dragen, hoe we zomaar kunnen stil vallen.
 
En God reikt verder.
 
Hier, steek een licht aan. Voor jezelf, voor een ander.
Noem wie het is die je mist, wat het is dat je belast.
Spreek je uit over je pijn, je hebt recht van spreken.
Zing boven je tranen uit, anderen zullen met je meezingen.
Mens ben jij, voor het licht gemaakt.
 
Amen

4 nov

ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Openbaring 4

 
Kinderverhaal
Iedereen in de klas van juf Ayse mag een doos uitzoeken. Een kleine doos of een grote, mag je zelf weten als het maar een goede doos is om je geheime schat in te verpakken, zegt juf Ayse.
Je geheime schat? De kinderen snappen niet meteen wat de juffrouw bedoelt.
‘Mijn geheime schat ligt thuis’, zegt Jolein. Ik weet niet of ik wel een geheime schat heb, zegt Mo. Mijne past echt niet in een doos, zegt Corné.
Maar juffrouw Ayse zegt: dat geeft allemaal niets. Het gaat erom dat ik wil dat jullie bedenken hoe jullie je geheime schat zouden willen inpakken. Het allerkostbaarste wat je hebt. Het allermooiste, of het allergeheimste. Weten jullie dat?
Nou, iedereen heeft al snel een idee. En gelukkig ligt er heel veel materiaal in de knutselhoek. Jolein pakt een pluizig stuk paarse stof en pakt daar de schoenendoos in. Mo wikkelt zilveren aluminiumfolie om zijn doos. En Corné plakt drie dozen boven op elkaar, schildert ze zwart en tekent er allemaal zwaarden op want ‘anders komen dieven het misschien stelen, juf’. Lisa heeft allemaal regenbogen op een klein doosje getekend en ook nog een unicorn. En Saar heeft een bewakingscamera geknutseld voor op haar doos.
 
Aan het eind van de les staat de klas vol met dozen waaraan je goed kunt zien dat ze voor bijzondere schatten zijn bedoeld.
Gaan we nog raden wat er in de dozen hoort?, vraagt Lisa.
Nee, zegt juf Ayse, dat doen we niet, dat blijft geheim.
Ah, zeggen de kinderen, iedereen is zo nieuwsgierig, maar stiekem is dit ook wel fijn.
 
Inleiding op de Schriftlezing
Vandaag start het leesrooster met een alternatieve route door het Bijbelboek Openbaring.
Dat is niet zo’n bekend boek en daarom wil ik eerst toelichten waar het over gaat.
Voluit heet het boek de Openbaring van Johannes, waarbij het niet bekend is welke Johannes het is die de schrijver is.
Het boek is het laatste geschrift van de Bijbel. (…). Het is een apocalyptisch geschrift. Wat betekent een onthullend, openbarend geschrift en dan gaat het om een geschrift waarin God via visioenen aan mensen zijn geheimen onthult. Via visioenen geheimen over God onthullen, dat klinkt omslachtig en dat is het ook mét reden.
 
Want de openbaring van Johannes is geschreven in de 1e eeuw na Christus toen de vroege christenen in Klein-Azie vervolgd werden. Het Romeinse Rijk is een uitgebreid imperium waarbinnen iedereen zich moet voegen naar het Romeinse gezag. Wie niet buigt voor de Romeinse keizer en de beelden van keizer in de tempel niet wil vereren omdat hij alleen voor God wilde buigen, die wordt onderdrukt.
 
Aan de vervolgde christenen schrijft Johannes over het visioen dat hij heeft gehad van God. En hij schrijft dat in beeldtaal die zij wel meteen zullen begrijpen omdat het allerlei beelden bevat uit de Bijbel, maar die voor buitenstaanders niet meteen te begrijpen is.
 
Dat maakt dat de Openbaring voor ons als hedendaagse lezers best moeilijk te vatten is, omdat ook wij die beeldtaal niet goed kennen.
Er is getallensymboliek. Bijvoorbeeld het getal zeven, getal van de volheid, komt telkens naar voren. En ook het getal 4 van alle windstreken.
De duivel komt erin voor, symbool van de kwade macht.
Het lam, symbool voor Christus en voor élk slachtoffer in de wereld.
En het hele visioen gaat om een strijd die er is - niet zal komen, maar er is - tussen goddelijke en antigoddelijke krachten, waarbij uiteindelijk God oordeelt en overwint.
 
Al met al is Openbaring een heftig geschrift dat is bedoeld om de gelovigen te bemoedigen en op te roepen om stand te houden ondanks de vervolging want: de werkelijke macht over de wereld is in handen van God en Christus, die spoedig zal terugkeren.
 
Vandaag horen we het eerste stukje uit het visioen. Fatima zal voor ons lezen.
 
Overweging
Gemeente van Jezus Christus,
 
Hoe leg je aan kinderen uit wat het verschil is tussen een Bijbelverhaal en een verhaal uit
een ander boek? Die vraag kwam naar voren in het gesprek dat ik had met de doopouders. Trouwens: hoe leg je aan volwassenen uit wat het verschil is?
Ik denk zo: een Bijbelverhaal zegt altijd iets over God en mensen. Én taal kan iets verpakken om zo iets te onthullen over God, wat je op een andere manier niet zeggen kan.
 
Onze lezing uit Openbaring is als een verpakking om het geheim van wie God is in deze wereld. Alles trekt Johannes uit de kast: de hemel, een troon, kostbare edelstenen (jaspis en sarder), de leiders van het volk, gekroond en in het wit gekleed, donder en bliksem, de regenboog, zeven fakkels, zeven geesten enzovoort.
Er kan geen twijfel over bestaan, Johannes wil duidelijk maken dat diegene op de troon de enige te vereren God is. Én het komt zover dat werkelijk iedereen uit alle vier windstreken van voren en van achter scherp ziet - door al die ogen - dat deze God geëerd moet worden. Dit is de allerhoogste Heer en niet een wereldlijke leider dus. 
En zo vereert dan de hele wereld Hem: ‘heilig, heilig, heilig’ klinkt het dag en nacht en nog meer aanbiddende woorden zoals ‘U komt alle lof, eer en macht toe, Heer, onze God, want u hebt alles geschapen: uw wil is de oorsprong van alles wat er is.’
Nu zal pas in het volgende hoofdstuk van Openbaring blijken dat temidden van al deze pracht en praal en lof hét ware symbool voor deze allerhoogste God een geslachtofferd lam is, het toonbeeld van kwetsbaarheid. Niet een overwinnaar maar de zondebok waarin we Jezus herkennen heeft het hoogste gezag in de hemel.
 
Hoe is deze tekst nou bemoedigend en troostend voor mensen in tijden van nood? Of om dichter bij onszelf te blijven: wat onthult deze tekst over God, wat voor ons relevant is?
 
We kunnen helaas in de actualiteit heel wat situaties aanwijzen die doen denken aan dat principe van stikken of slikken van het Romeinse Rijk. Nogal wat regeringsleiders in deze tijd, zoals de net verkozen president Bolsonaro in Brazilië, maar ook anderen in de wereld en ook in Nederland willen minderheden in de samenleving minder rechten toekennen dan ‘gewone burgers’. Zij dwingen mensen te buigen voor hun macht, of vervolgen mensen om wie ze zijn.
Dit visioen van Johannes waarin alles en iedereen, ook de wereldse macht, buigt voor God, en dus voor kwetsbaarheid, voor slachtoffers, is dan wel een omkering om naar uit te zien. Dit geheim van wie God is als hoogste of diepste grond van het bestaan waar alles voor moet buigen, is de kern van Openbaring.
 
Toch ligt de relevantie van deze lezing voor mij niet in het kennen van deze kern van de tekst, maar in het gebruik maken van de verpakking. En met die verpakking bedoel ik de taal die gebruikt wordt in deze tekst. Deze taal van het aanroepen van God, komt terug in de liturgie en in de rituelen van onze viering. Het is de verpakking waar God in mee komt.
God ‘heilig’ noemen en daarvan zingen bijvoorbeeld, als we dat doen in de viering dan geven we een weerwoord aan elke leider die denkt dat hij boven de wet verheven is.
Als we hardop zeggen dat God ‘Liefde is en grond van ons bestaan’, dan is dat een aanmoediging aan ieder mens om zich niet neer te leggen bij een achtergestelde positie.
Als wij deel willen uitmaken van een gemeenschap van gelovigen, dan erkennen wij dat we niet zonder de ander kunnen, dat anderen ons nodig hebben zoals wij hen om voor ons op te komen als we in de verdrukking zitten.
‘God danken’, zoals bij deze oogstdienst, dat is inzien dat het niet onze verdienste wat ons aan goede dingen toevalt in dit leven.
 
Net als de Openbaring van Johannes kan een viering ons brengen dat we ons niet blindstaren op ons eigen leven als centrum van de wereld, maar dat we oog krijgen voor waar het voor de toekomst van ons mensen op aan komt – namelijk om eer te geven aan God, die we in de kwetsbare ander ontmoeten.
Als we aan kinderen de Bijbelverhalen vertellen, of zelf met de Bijbel aan de gang gaan, dan hebben we te maken met de buitenkant, de plaatjes, de taal, én met de binnenkant, dat geheim wie God is.
 
Vandaag dopen wij twee kleine kinderen. We verbinden met taal en ritueel hun leven met het geheim van wie God is. We noemen hun veelzeggende namen ‘ster van de zee’ en ‘godsgeschenk’ en we weten: in deze ruimte komt met het noemen van hun namen God mee.
Amen

28 okt

Ds. Henk Meulink

Bijbellezing: Psalm 13 + Marcus 10:46-52


Gemeente van Jezus Christus, geliefde mensen van God,

Zijn wij ziende blind? Laten wij de problemen waar onze wereld, onze samenleving voor  staat, voldoende tot ons doordringen? Nemen wij de zorgen om ons milieu, de veranderingen in het klimaat wel serieus? Zien wij wel in hoe die ontwikkelingen en de ongelijke inkomensverhoudingen de vluchtelingenstromen in gang houden en zijn wij bereid een deel van onze welvaart in te leveren om daar verandering in te brengen. Sluiten wij onze ogen niet te gemakkelijk voor de beelden van kinderen die honger lijden door de machtsstrijd die over hun hoofden wordt uitgevochten, met wapens die ook in onze naam worden geleverd? Hoe is het met onze inzet voor, zoals de Wereldraad van Kerken het ooit noemde, gerechtigheid, vrede en behoud van de schepping?  In hoeverre zijn wij bereid de weg te gaan die God ons wijst, die Jezus voor ons uit is gegaan? Als ik bij deze vragen “wij” zeg, bedoel ik dat ook persoonlijk: in hoeverre zie ik de problemen, neem ik ze serieus, ben ik bereid tot een verandering in gedrag? Laat ik maar eerlijk zijn: ik heb moeite mijn ogen niet dicht te houden, zelf de consequenties te trekken.

Ik kwam tot deze vragen bij, toen ik probeerde te doordenken, wat het verhaal over de blinde Bartimeüs, zijn schreeuw om ontferming, de reacties van de menigte en de wijze waarop Jezus met hem omgaat ons in onze situatie te zeggen heeft. De afgelopen weken hebben we in onze diensten het evangelie van Marcus stap voor stap gevolgd. Binnen dat evangelie heeft het verhaal van vandaag een bijzondere positie. Het is de afsluiting van het gedeelte uit het evangelie waarin Jezus met zijn leerlingen op weg is van Galilea naar Jeruzalem. Ze zijn nu in Jericho. Nog 30 kilometer scheiden hen van de stad, waar het laatste deel van Jezus´ leven zich zal afspelen. Direct na dit verhaal vertelt Marcus van de intocht in Jeruzalem. In dat middengedeelte kwam als een steeds herhaald refrein aan de orde in hoeverre de leerlingen van Jezus en de menigte die Hem volgt wel inzien wie Jezus is, waar het Hem om gaat, wat Hem te wachten staat en wat het betekent Hem te volgen. Tot drie keer toe vertelt Jezus dat de weg die Hij gaat, de weerstand die zijn woorden en daden oproepen, tot zijn arrestatie, veroordeling, marteling, vernedering en kruisiging zal leiden. Het zal geen triomftocht worden, maar een lijdensweg. Waaraan Jezus dan iets onbegrijpelijks toevoegt: drie dagen na zijn dood zal Hij worden opgewekt.  De leerlingen van Jezus, zo vertelt Marcus, willen wat Jezus hen voor ogen stelt, niet horen en verstaan. Ze weren het af –“dat zal niet gebeuren” – of ze gaan totaal niet passende gesprekken aan wie toch wel de belangrijkste onder hen is, of proberen al de plek naast Jezus in zijn glorie te bemachtigen. En Jezus – die steeds eenzamer lijkt te worden – roept hen op tot een verandering in mentaliteit en gedrag: het moet jullie niet om heersen, om macht – met zo vaak misbruik van macht  - gaan, Ik roep jullie op tot een houding van dienen,  van antwoord geven op het beroep dat het gelaat van de ander op je doet. En zelf laat Hij in zijn handelen zien wat dat betekent. Maar Jezus waarschuwt ook: de weg die Ik ga, zal consequenties hebben, voor Mijzelf, voor wie Mij wil volgen. Hebben de leerlingen van Jezus zijn woorden verstaan, zijn zij tot inzicht gekomen? En in hoeverre geldt dat voor ons? Daar ging het de afgelopen weken steeds om.

Bijna aan het einde van hun reis zijn Jezus en zijn volgelingen in Jericho gekomen. Marcus vertelt niet wat ze daar deden – zijn evangelie heeft altijd iets gehaast, is niet voor niets het kortste - , ze gaan de stad al weer uit. Daar worden zij geconfronteerd met het geschreeuw van een man: “Zoon van David, Jezus, Eleison! Ontferm U!”, roept hij. En als ze naar hem omzien, zien ze een man die langs de weg zit, blind is en bedelt. Met die paar woorden wordt zijn situatie kort maar krachtig aangeduid. De prachtige tekening van Kees de Kort op de liturgie geeft het treffend weer. Zijn handicap maakt dat hij niet meetelt, in armoede vervallen is, om een aalmoes – een woord afgeleid van eleison – moet vragen.

Wat bijzonder, uitzonderlijk, is dat hij van Marcus een naam krijgt: Bartimeüs.

Die naam intrigeert. Die naam wordt uitgelegd: die betekent zoon – Bar is het  Aramees voor zoon – zoon van Timeüs. Timeüs is een Grieks woord dat geëerd betekent. Maar als zijn vader een geëerde was, hoe kan het dan dat hij in zo´n ellendige situatie terecht gekomen is? Kijkt zelfs zijn familie niet meer naar hem om? Waarom is hij verstoten? Waarom wordt hij, zoals zo verteld wordt, zo vijandig bejegend? Betekent dat ook, zoals David het in Psalm 13 verwoordt, God hem vergeet? Tot ieder die zich maar enigszins herkent in de situatie waarin Bartimeüs zich bevindt,  zou ik allereerst willen zeggen: in de geschriften van de Bijbel is er aandacht voor je. Aan wie in ellende verkeert wordt niet voorbijgegaan, horen we ook vandaag weer, zowel in de Psalmen, als in het verhaal van Marcus. Maar daaraan mag ik toevoegen: schik jezelf niet in je ellende, houd je niet stil, maar laat je horen. Schreeuw je nood maar uit. Doe een beroep op anderen. Want bij Bartimeüs is dat de eerste stap naar zijn genezing, naar een ander leven. Zoals de roepende psalmist ook vertelt van zijn redding.

Maar er is meer over Bartimeüs te zeggen. Ook de woorden die hij gebruikt intrigeren. “Zoon van David, Jezus”, zo heeft nog nooit iemand in het evangelie van Marcus Jezus genoemd. “Zoon van David”, dat is de uitdrukking die in Israël wordt gebruikt voor de messias die wordt verwacht. Ziet, doorziet, deze blinde bedelaar wie Jezus is, van wie hij heeft gehoord, die hij daarom vol verwachting aanroept? Ja, moet je zeggen: hij, die gezien zijn naam misschien wel een Griek, een buitenstaander, een heiden is, hij ziet wie Jezus is. Hij ziet, waar van de volgelingen van Jezus steeds maar weer is gezegd: zij zien het niet, zij verstaan het niet werkelijk. Ja, wie is er blind in dit verhaal?



Ook dat intrigeert. Het roept bij mij de vraag op, meer nog, het doet mij erkennen dat de waarheid misschien wel vaker dan we denken van buiten de kerk wordt gesproken. Als we zien wie ons voor houden voor welke problemen onze samenleving staat, die benoemen, ja, uitschreeuwen, en wie ons voorgaan op de weg die problemen aan te pakken, tot een verandering in mentaliteit en gedrag, dan komt die roep vaak van buiten de kerk. Met de vraag aan ons, aan mij: horen we, hoor ik die stem voldoende. Willen wij ook tot inzicht komen?

Wordt de schreeuw van Bartimeüs gehoord? Dat zeker, maar de reactie van wie die schreeuw horen is wel verschillend. Veel mensen op de weg snauwen hem toe: Houd je mond. Je stoort ons. En dat willen wij niet. Hebben zij echt nog niets geleerd van wat Jezus hen over een houding van dienen heeft gezegd en voorgeleefd?   Maar Bartimeüs laat zich de mond niet snoeren. Hij schreeuwt nog harder: “Zoon van David, ontferm U over mij”. Jezus reageert anders. Hìj snauwt niet, loopt niet door, maar blijft staan. Hij weet zich aangesproken. Zoals we steeds van Hem horen: als mensen een beroep op Jezus doen, laat Hij zich storen. Op het beroep dat Bartimeüs op Hem doet, reageert Jezus door op zijn beurt hem te roepen. Het is eigenlijk heel humoristisch, maar ook betekenisvol, zoals Marcus dat vertelt: Jezus schakelt de omstanders die Bartimeüs afsnauwden zelf in om hem te roepen. Hij dwingt hen tot een andere houding: zie naar die man om, maak contact met hem, roep hem. Wordt zo ook ons niet voorgehouden hoe wij zouden moeten omgaan met een vreemde die een beroep op ons doet? Ja, zo ervaar ik het in ieder geval. Jezus zet ons tot een andere houding aan.
De mensen rond Jezus laten zich veranderen. Nu spreken ze Bartimeüs aan en bemoedigen hem: sta op,  ga naar Jezus toe. En hij staat op en gaat. Hij gooit zijn mantel af.  Waar dat voor staat is niet helemaal duidelijk. Laat Bartimeüs het laatste wat hij bezit, waar hij gehecht aan is, los om het avontuur van een nieuwe toekomst aan te gaan? Dan wordt het ook een vraag aan ons: kunnen, durven wij dat ook, loslaten waar wij aan gehecht zijn?

Het gesprek tussen Jezus en Bartimeüs dat dan plaatsvindt, vind ik in al zijn kortheid een leerschool voor pastoraat. Jezus stelt een open vraag: je doet een beroep op Mij, maar wàt kan Ik voor je doen? Hij heeft dat al niet ingevuld, maar wil dat horen van de ander. Als Bartimeüs dan vraagt: zorg dat ik weer kan zien, volgt er niet een of ander genezingsritueel. Nee, Jezus zegt alleen maar: je geloof heeft je gered. Dan merkt Bartimeüs dat hij weer kan zien. Geloven, dat is vertrouwen. In vertrouwen deed Bartimeüs een beroep op Jezus. In vertrouwen staat hij op als Jezus hem laat roepen. In vertrouwen laat hij alles wat hij bezit achter zich. En die houding van vertrouwen bekrachtigt Jezus. Hij bevestigt de eigen kracht van Bartimeüs. Prachtig. Het roept de vraag op: hoe blind was Bartimeüs eigenlijk? Ja, ik ga er vanuit dat hij blind was en weer gaat zien. Maar het is ook duidelijk dat Bartimeüs ook al ziende was, in zag wie Jezus is, dat verandering mogelijk is, en in vertrouwen op staat. Jezus beëindigt het gesprek door Bartimeüs vrij te laten in wat hij nu zal doen. Ga heen. Maar Bartimeüs kiest er voor Jezus te blijven volgen op zijn weg, die naar Jeruzalem leidt.

Bartimeüs maakt zo de beweging van zitten langs de weg, naar Jezus volgen op zijn weg. Hij weet zich geroepen. Hij staat op en gaat, in vertrouwen.  Daartoe roept zijn verhaal ook ons op. Het is Lucas die christenen aanduidt als mensen, als “aanhangers van de Weg”. Dat is een aanduiding van betekenis. Wie zich christen noemt, kiest er voor op weg te gaan. Dat betekent dat je durft los te laten, dat betekent dat je durft te vertrouwen op de weg die Jezus wijst. De Wereldraad van Kerken drukt dat mooi uit door te zeggen: wij zijn een beweging van mensen die als pelgrims op weg gaan op zoek naar een samenleving van gerechtigheid en vrede, in vertrouwen dat zo´n wereld mogelijk is. De Bijbel reikt ons geen handboek aan hoe we ten aanzien de problemen van klimaat, milieu, inkomensverschillen en zo moeten handelen. Maar wijst ons, vandaag opnieuw, wel een richting, roept ons op op weg te gaan, vraagt ons in te zien waar het om gaat als we deze wereld op een verantwoorde wijze willen nalaten aan de generaties na ons, wijst ons op mensen buiten de kerk, die misschien wel meer inzien en aangeven wat nodig is, vraagt ons om een houding van dienstbaarheid, waarbij we afzien van macht en eigen belang op de korte termijn, vraagt ons om een weg te gaan die niet altijd gemakkelijk zal zijn, maar sterkt ons ook in vertrouwen dat een goede toekomst voor deze wereld mogelijk is. Als we dat inzien, mogen we met Bartimeüs ons geroepen weten, opstaan en op weg gaan, als mensen die zien. Amen.

ds Henk Meulink

vieringen

vieringen

elke zondag om 10.00 uur