17 sept

ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Lucas 17: 11-19


Inleiding op de Schriftlezing
Vandaag lezen we volgens het Luthers Leesrooster een gedeelte uit het evangelie van  Lucas over de genezing van 10 melaatsen. Deze melaatsen dragen de last van hun ziekte, maar meer nog dragen zij de last van het uitgesloten worden van de maatschappij, iets wat mensen die ziek zijn ook in deze tijd overkomt.
De tien melaatsen doen een beroep op Jezus, ze roepen ‘ontferm u over ons’.
Het is als het kyriegebed zoals wij dat ook uitspreken aan het begin van de dienst ‘Heer ontferm u’. Bij dat kyrie hoort ook een gloria, een lofzegging aan God.
Alleen komt in het verhaal maar één van de tien, een Samaritaan nog wel, een buitenlander, met een lofzegging bij Jezus terug.
 
Waarom hij wel en de rest niet, dat is de vraag. Vandaag zal ik bij wijze van overweging een ‘goed verhaal’ houden, waarbij ik vanuit het oogpunt van de Samaritaan wil spreken over wat er is gebeurd.
 
Lezing Lucas 17: 11-19
Op weg naar Jeruzalem trok Jezus door het grensgebied van Samaria en Galilea. Toen hij daar een dorp wilde binnengaan, kwamen hem tien mensen tegemoet die aan huidvraat leden; ze bleven op een afstand staan. Ze verhieven hun stem en riepen: ‘Jezus, meester, heb medelijden met ons!’ Toen hij hen zag, zei hij tegen hen: ‘Ga u aan de priesters laten zien.’ Terwijl ze gingen werden ze gereinigd.
Een van hen, die zag dat hij genezen was, keerde terug en loofde God met luide stem. Hij viel neer aan Jezus’ voeten om hem te danken. Het was een Samaritaan. Toen zei Jezus: ‘Zijn er niet tien gereinigd? Waar zijn de negen anderen? Wilde niemand anders terugkomen om God eer te bewijzen dan alleen deze vreemdeling?’ Hij zei tegen de Samaritaan: ‘Sta op en ga. Uw geloof heeft u gered.’
 

Een goed verhaal

 
Voor mij geen zware last meer.
Ik ben de Samaritaan uit het verhaal. Samaritaan dat is niet hoe ik heet, dat is hoe ze me noemen. Ze noemen me ook wel buitenlander, of randfiguur, of ze noemen me helemaal niet en zeggen alleen maar ‘lazer op’.
(Ik heet overigens Tom, maar dit terzijde.)
 
Iedereen vraagt mij: waar zijn de andere negen gebleven? Maar ik weet dat niet. We gingen allemaal onze eigen weg. Altijd al, maar door onze ziekte dachten mensen dat we wel bij elkaar zouden horen. Alsof ziekzijn verbroedert. Nou nee, het was ieder voor zich.    
Ik kan dus alleen maar voor mijzelf spreken en vertellen wat er is gebeurd met mij.
 
Vooraf moet ik dit zeggen: bij alle uitsluiting in mijn leven, als vreemdeling en als melaatse heb ik altijd geweten: het zijn de mensen die het mij aandoen. God wil dit niet. Daar hield ik mij aan vast.
En toen kwam Hij, Jezus, naar ons dorp.
Ik kon hem natuurlijk niet gaan vasthouden, ik bleef op afstand zoals dat moet als je melaats bent, maar ik riep wel heel hard met de anderen mee en hoopte dat hij mij zou zien. Dat was het enige wat ik wenste. Dat iemand mij zou zien staan.
 
En dan gebeurt dit:
 
Ik zie dat Hij mij ziet. En dus ga ik waar hij zegt dat wij moeten gaan, naar de priester om ons rein te laten verklaren. Het lijkt alsof we op de zaken vooruit lopen. Maar zo is het niet - gaandeweg voel ik al: dit is een nieuwe weg!
Er valt een last van mijn schouders, ik zie dat ik rein ben en ik voel me genezen.
 
Halleluja - ik ben helemaal in de gloria en wil maar één ding. Terug naar Jezus!
Gek hé, ik heb altijd gedacht dat ik terug zou willen naar huis, naar mijn familie, naar mijn werk. Maar dat hoeft ineens niet meer.
 
Ik voel me dankbaar, zo dankbaar en daar kan ik maar één kant mee op: naar God.
 
Dus ja, daarom ben ik teruggekomen. Om Hem te bedanken.
Waarom de anderen dat niet doen, weet ik niet.
Maar voor mij klopt het anders niet.
Als je naar God toe gaat in je nood, dan toch ook als je gezond bent?
 
Vroeger moest ik afstand houden, maar nu wil ik dichtbij hem zijn, aan z’n voeten liggen.
Ik hoor ze wel hoor, de mensen die vinden dat ik me niet zo nederig moet opstellen, die zeggen dat dit juist de kans is om helemaal mijn eigen weg te gaan, dat ik nu van niets en niemand meer afhankelijk ben.
Maar zo voelt het juist niet. Ik voel me afhankelijker dan ooit, of ik kan beter zeggen: meer verbonden dan ooit met God.
En daar ben ik dankbaar voor. Ik wil helemaal niet op mijzelf staan. Als ik iets heb geleerd dan is het dat je andere mensen nodig hebt in dit leven, mensen die je bemoedigen en zien staan!
En ik heb het nodig om God te danken. Om te erkennen: echt leven begint niet bij genezing maar bij geloof en vertrouwen. Mijn leven begint niet bij wat ík nodig heb, maar bij wie we voor elkaar kunnen zijn.
 
Kyrie en gloria horen voor mij bij elkaar.
Net als u en ik.
Ja ik weet het, ik ben een vreemdeling en u bent heel gewoon.
Maar dat is het hem nou juist! Iedereen is wel ergens vreemd of een buitenlander. En dan ontdek je pas dat je mensen nodig hebt die je zien staan.
Ziet u mij staan?
 
Dat is mijn verhaal.
Geen dank, graag gedaan.

10 september

Ds. H.F. Meulink

Psalm 119:33-40; Lucas 10:25-37


Gemeente van Jezus Christus,
geliefde mensen van God,

Als je op de Nieuwe Herengracht tussen de gebouwen van de Protestantse Diaconie, onze diaconie, de Hoftuin inloopt kun je daar in de muur de beeltenis  zien, die op uw liturgie staat. Het is een verbeelding van de barmhartige Samaritaan. Die is daar ingemetseld als  symbool voor waar onze diaconie zich toe geroepen weet: “helpen waar geen helper is”. Het is indrukwekkend hoe onze diaconie daar op vele manieren concreet gestalte aan geeft.
Ook voor de ingang van het Sint Lucas-Andreasziekenhuis (nu OLVG-West) staat een beeld van de barmhartige Samaritaan.  Daarmee wil het ziekenhuis zeggen: onze motivatie voor de zorg voor zieken vinden wij in die gelijkenis van Jezus.
Deze voorbeelden maken duidelijk: de oproep die Jezus doet de Samaritaan in zijn barmhartig handelen te volgen, is en wordt verstaan. Het heeft zijn uitwerking gehad in het belang dat wij als christenen hechten aan omzien naar en zorg voor mensen die kwetsbaar zijn. En dan niet alleen op een georganiseerde manier via onze diaconie, in onze samenleving, maar ook in al die persoonlijke aandacht voor en zorg aan elkaar. Ook hier in en vanuit onze gemeente.
Breder mag je zeggen: de verzorgingsstaat zoals wij die in ons land kennen is – laten we dat niet vergeten -  niet los te zien van de oproep die Jezus doet, ook de verantwoordelijkheid die op allerlei wijze wordt getoond voor mensen in nood in onze wereld.
Ja, de oproep van Jezus is en wordt verstaan, in onze samenleving, door ons persoonlijk. Daarom is het niet nodig deze preek een al gauw te moralistische oproep tot zorg voor elkaar te laten zijn. Dat weten we wel, dat doen we ook. Dat bevestigen we met het zingen van Lied 973. Hoewel, dat doen we ook…. niet altijd Dat weten we ook, dat vertelt het Bijbelverhaal. Daarom is het goed toch nog eens bij bepaalde elementen in het verhaal stil te staan.
Wie is mijn naaste? Dat is de vraag die de wetgeleerde aan Jezus stelt. Hij is het met Jezus eens dat het grootste en belangrijkste gebod is:  God liefhebben en daarmee onverbrekelijk je naaste als jezelf. Maar wie is dan mijn naaste, vraagt de wetgeleerde? Een goede vraag, lijkt het, ik denk ook een vraag die wij ons wel eens stellen. Jezus beantwoordt die vraag met het vertellen van het verhaal over het slachtoffer van een roofoverval en van wie hij dan wel en geen hulp krijgt. Dan stelt Jezus een wedervraag. Maar dan blijkt dat Hij de vraag van de wetgeleerde op een wezenlijk punt verandert, omdraait. Hij vraagt: “wie is volgens u de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers?”  Dat is het cruciale punt in deze evangelielezing. De vraag van de wetgeleerde nam zijn vertrekpunt bij hemzelf: wie moet ìk als mijn naaste zien. Maar Jezus vraagt om anders te denken: wie heeft die kwetsbare ander als naaste ervaren?  Dat is een heel andere vraag. En dan wordt het spannend. Dan wordt de vraag, ook aan ons, een dubbele vraag: worden wij door anderen als naasten ervaren? En: wie ervaren wij als naasten? De schrijver van het kinderlied dat we zongen heeft deze omdraaiing goed begrepen. Hij liet ons zingen: Toen ik naar mijn naaste zocht, waar was jij?     

Voor iedereen is het duidelijk:  in de gelijkenis ervaart het slachtoffer de man die hem barmhartigheid toonde, daadwerkelijk hielp, als naaste. Als wij ons in het slachtoffer verplaatsen, dan begrijpen we dat maar al te goed. Ook daarin dat het wel eens verrassend kan zijn wie zich je naaste toont. Dat hoeft niet zomaar iemand uit je nabijheid te zijn, of van je eigen geloofsgemeenschap, dan kan wel eens een ander zijn die jou eerst vreemd was, van wie je het niet verwachtte, op wie jij misschien wel neerkeek, zoals Israelieten op Samaritanen deden, zo´n hardrijdende jongen op een scooter uit het kinderverhaal. We zeggen wel: in nood leer je je vrienden kennen. Soms word je teleurgesteld, soms verrast van wie je hulp ervaart, wie zich als je naaste doet kennen.
Duidelijk is ook: de priester en de leviet worden door de beroofde man niet als naaste ervaren. Er is vaak de neiging schamper over hen te spreken. Waarom zien zij wel het slachtoffer, maar lopen zij met een boog om hem heen? Waarom tonen zij zich onverschillig tegenover een mens in nood? Dat was toch verkeerd en dat had je toch zeker van leiders van een geloofsgemeenschap niet verwacht.
Wat mij opviel bij het opnieuw lezen van het verhaal is dat Jezus geen oordeel over hen uitspreekt. Dat vraagt ons voorzichtig te zijn met ons oordeel. Evenmin noemt Jezus een motief voor hun handelen. Die openheid stimuleert stil te staan bij de vraag: welke motieven kunnen er zijn, welke motieven kunnen ook wij hebben om een ander die een beroep op je doet niet te helpen, geen naaste te worden? Want laten we eerlijk zijn: ook wij kunnen mensen op onze weg treffen die het niet goed maken en dan toch verdergaan. Nee, wij zijn niet altijd daadwerkelijk naaste voor anderen. We zijn niet als Jezus die zich in zijn leven als die barmhartige Samaritaan laat kennen. Wij gaan lang niet altijd in op het beroep dat op ons wordt gedaan, wenden ons gezicht af, lopen voorbij. Zo is het toch? Waarom doen we dat?

Er is een interessant onderzoek in Amerika gedaan. Daarbij werd aan theologiestudenten gevraagd een preek te schrijven over de barmhartige Samaritaan. Als de studenten klaar waren met hun voorbereiding, zou de preek gefilmd worden in een ander gebouw op het terrein van  de universiteit. Op de weg daarheen treffen zij een man aan die in elkaar zakt en hulp nodig heeft.  Dat is in scene gezet. Wanneer de theologiestudenten alle tijd kregen om naar het andere gebouw te lopen, hielpen zij de man bijna allemaal. Maar wanneer de onderzoekers ervoor zorgden dat de studenten te laat vertrokken, hielp een derde van de studenten de man niet. Maar nu komt het. Wanneer de docent de studenten aanspoorde zo snel mogelijk naar het andere gebouw te gaan omdat er geen tijd te verliezen was, bleek nog maar 10% de man te helpen. Van de theologiestudenten die gingen preken over hulpvaardigheid liet als zij haast hadden dus 90 % de man links liggen. Sommige studenten stapten zelfs over hem heen.  Dat onderzoek houdt ons een spiegel voor. Als wij haast hebben, als we op weg zijn naar een voor ons gevoel belangrijke verplichting, kunnen we blijkbaar wegzien van concrete hulp die van ons op dat moment gevraagd wordt.  Dat stelt vragen bij de tijd- en prestatiedruk in onze samenleving. Zijn we niet te gehaast, maken we ons niet te druk, willen we niet te veel, zouden we niet moeten onthaasten  om dan  meer onze ogen, oren en hart open te kunnen stellen voor elkaar?

Martin Luther King, juist hij die zich zo inzette voor anderen, heeft nog een andere gedachte waarom wij voorbijgaan aan de ander die een beroep op ons doet, we ons onverschillig lijken te tonen. Hij zegt: misschien is het wel angst wat mensen weerhoudt.  Ik denk dat we daarin ook iets kunnen herkennen. Angst voor wie ons vreemd is. Angst voor het beroep dat op ons wordt gedaan. Een beroep dat misschien wel veel verder gaat dan het eerst lijkt. Komt van het een niet het ander? Angst voor wat we als ons onvermogen ervaren, dat we ons machteloos zouden kunnen vinden. Het is een goede vraag aan ons: speelt zo´n angst bij ons mee als wij ons niet als naaste tonen? En in hoeverre is die altijd terecht? Ik word in ieder geval geraakt door mensen die blijkbaar die angst niet of minder kennen, die niet of minder de neiging hebben met een boog om een mens die het blijkbaar niet goed gaat heen te lopen, die niet afwerend  reageren als een hen vreemde om hulp vraagt, die minder gauw redenen zoeken om iemand die hen om geld vraagt af te weren, die minder angst tonen voor de situatie waarin zij terecht kunnen komen als ze ingaan op een vraag om hulp, die zich in mijn beleving als een barmhartige Samaritaan tonen. En zo naaste worden. Deze mensen stellen mij, ons de vraag: hoe gaan wij om met onze angst, afweer? Hoe vermijden we onverschilligheid?

Maar tegelijk is de vraag of het altijd onverschilligheid is bij ons als we niet op een vraag om hulp ingaan. Er kunnen wel degelijk goede redenen zijn onder druk van tijd en verplichtingen niet te helpen. Ons leven is in zoverre ingewikkeld dat we verschillende verantwoordelijkheden kennen. Er is niet alleen die ene die een beroep op ons doet, er is ook altijd een derde. Die telt ook mee, die kunnen we niet in de steek laten. In al die verantwoordelijkheden is het niet mogelijk aan ieder beroep dat op ons wordt gedaan te voldoen. Dat kan ons voor een dilemma stellen. Dat moeten we misschien wel kiezen, dat zullen we moeten accepteren. Van een ander kunnen we ook niet verwachten dat die ons altijd helpt. Het vraagt om prioriteiten te stellen. De vraag blijft dan wel: welke prioriteiten stellen we. De consequentie is dan wel: als we mensen voorbijlopen zullen die ons niet als naaste ervaren. Maar we kunnen, mogen, hoeven van onszelf ook niet te verwachten dat we dat altijd zijn.

Direct na de evangelielezing van de barmhartige Samaritaan volgt het verhaal van het bezoek van Jezus aan het huis van Martha en Maria. Opvallend daarin vind ik, dat Jezus de zo zorgzame Martha terechtwijst en haar Maria die voor een moment van bezinning kiest ten voorbeeld stelt. Ik leg dat zo uit, dat Jezus niet verwacht dat we altijd maar bezig zijn voor anderen te zorgen, dat we onszelf daarin niet voorbij moeten lopen, dat we ook tijd voor onszelf, voor verdieping, voor bezinning mogen nemen. Zoals we met elkaar in deze dienst doen. Al blijft ook dan de vraag: zijn we bereid ons te laten storen door wie een beroep op ons doen?  
Want wat met deze nuances blijft staan is het antwoord dat Jezus geeft op de eerste vraag die de wetgeleerde stelt: “wat moet ik doen om het eeuwig leven te bereiken?” Hij lijkt daar mee te bedoelen, dat het hem goed gaat, in dit leven en na zijn dood. Jezus maakt ons duidelijk dat het er in het leven niet om gaat ons persoonlijk heil te zoeken, maar dat de zin van ons leven is zorg te dragen voor elkaar, voor de kwetsbare ander die op onze weg komt. Daartoe worden we geroepen. En als we zo leven, doet het ons ook goed, ervaren we dat het betekenis aan ons leven geeft.  

In het wat mij betreft prachtige lied van Jan Willem Schulte Nordholt dat we zo zullen zingen (lied 561) worden allerlei elementen bij elkaar gebracht: onze eigen nood, de ellende van anderen, hoe Jezus zelf de man in nood wordt, wat wij nodig hebben, wat wij kunnen doen. Het lied verandert de oproep die Jezus in en gebed. Het eindigt zo:
O liefde uit de eeuwigheid
die met ons mens geworden zijt,
wij bidden, laat ons niet alleen
in al het duister om ons heen,
opdat ook wij o Heer U niet
verlaten in uw diep verdriet
maar bij U zijn in al de pijn
waarmee de mensen mensen zijn.

Amen.


3 sept

Overweging 3 september 2017 Oranjekerk Amsterdam ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Matteus 17: 14-20

 

 

Inleiding op de Schriftlezing

De lezing vandaag uit Mattheüs is het tweede deel van een verhaal dat zich eerst bovenop een berg en daarna onderaan een berg afspeelt. Het eerste deel van het verhaal heet ook wel ‘De verheerlijking op de berg’, dat verhaal lezen we altijd op de 2e zondag van de veertigdagentijd, en het tweede deel heet ‘de genezing van de maanzieke jongen’. De schilder Rafael maakte 500 jaar geleden een schilderij van dit verhaal dat ik heb afgedrukt op de liturgie. (‘Transfiguratie’ - Vaticaans Museum, gemaakt 1516-1520).

Boven op de berg zien we Jezus die ten overstaan van drie van zijn leerlingen als in een visioen verandert in een lichtende verschijning, stralend als de zon, en Mozes en Elia verschijnen en er klinkt een stem uit de hemel die zegt: ‘‘Dit is mijn geliefde Zoon, in hem vind ik vreugde. Luister naar hem!’.

Als Jezus later met zijn leerlingen de berg afdaalt, vertelt Hij aan hen dat de Mensenzoon, Hij zelf, zal moeten lijden.

Beneden aan de berg komt dan een vader naar Jezus toe en zegt Heer, heb medelijden met mijn zoon, (Kyrie eleison, staat er letterlijk) want hij is maanziek en lijdt daar erg onder; hij valt dikwijls in het vuur of in het water. 

Vandaag noemen wij die ziekte ‘epilepsie’.

Op het schilderij zien we rechts beneden de vader met zijn zoon, omringd door een mensenmassa. De ogen van de jongen draaien weg en tegelijkertijd is hij de enige die ze naar boven richt.

Vandaag horen we het verhaal over die vader en die zoon beneden aan de berg en dat er pas een einde aan hun lijden komt, als Jezus bij hen is.

Maar waarom niet eerder, dat is de vraag. Want ook de leerlingen van Jezus hebben inmiddels de macht gekregen om mensen te genezen en demonen uit te drijven. (Matt 10:1) Waarom lukte hen dat niet?

 

Dat is de centrale vraag vandaag. Laten we bidden om Gods Geest dat ook wij met de leerlingen mee, horen wat Jezus ons daarover zeggen wil.  

 

 

Overweging

 

Gemeente van Jezus Christus,

 

Wat zijn jullie toch een ongelovig en dwars volk’ – dat is het eerste wat Jezus zegt als Hij de berg afkomt. Het zijn woorden die we kennen uit de mond van profeten (Jer 7:23-28, Deut 32: 5 en 20) en het is duidelijk dat Jezus kwaad en teleurgesteld is om te merken dat de leerlingen tijdens zijn afwezigheid niet hebben gedaan waar ze toe geroepen zijn. Jezus heeft hen immers ‘de macht gegeven om onreine geesten uit te drijven en iedere ziekte en elke kwaal te genezen’ (Matt 10:1).

 

Net zo teleurgesteld lijken de leerlingen zelf, want ze hebben het wel geprobeerd om de geest uit te drijven, maar zij waren niet bij machte om het te doen.

En als ze alleen zijn met Jezus vragen de leerlingen: ‘Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?’ Jezus antwoordt: ‘Vanwege jullie gebrek aan geloof. Ik verzeker jullie: als jullie geloof hebben als een mosterdzaadje, dan zullen jullie tegen die berg zeggen: “Verplaats je van hier naar daar!” en dan zal hij zich verplaatsen. Niets zal voor jullie onmogelijk zijn.’

 

Op dit bijzondere en cryptische antwoord van Jezus wil ik graag ingaan.

 

De leerlingen konden de jongen niet genezen vanwege een gebrek aan geloof – vanwege hun kleingeloof, staat er letterlijk. Maar dat betekent niet dat er groot geloof nodig is of veel geloof. Jezus zegt: als jullie geloof hebben als een mosterdzaadje, dat is genoeg.

 

Wat is nu het verschil tussen kleingeloof en geloof als een mosterdzaadje?

Wel, er is letterlijk een hemelsbreed verschil tussen beiden.

We hebben met de kinderen er al van gezongen en het helpt om nog even te kijken naar die gelijkenis over het mosterdzaadje dat Jezus  eerder bij Matteus vertelt (Matt 13:31-32):

‘Het ​koninkrijk van de hemel​ lijkt op een zaadje van de mosterdplant dat iemand meenam en in zijn ​akker​ ​zaaide. Het is weliswaar het kleinste van alle zaden, maar het groeit uit tot de grootste onder de planten. Het wordt een struik, en de vogels van de hemel komen nestelen in de takken.’

 

Het mosterdzaadje is dus niet uiterlijk groot, maar het heeft een kracht in zich om te groeien en tot de hemel te reiken.

Het gaat niet om wat het mosterdzaadje is, maar om wat het worden kan.

 

Geloof hebben als een mosterdzaadje betekent niet geloven in hoe het is, in hoe de dingen nu eenmaal zijn, maar geloven in hoe het worden kan.

Waar het woord ‘geloof’ in de Bijbel staat, kun je ook het woord ‘vertrouwen’ lezen. Want dat is waar het om gaat. Vertrouwen hebben in de mogelijkheid van groei, van verandering, van beweging.

 

De leerlingen konden de jongen niet genezen vanwege een gebrek aan innerlijke overtuiging dat verandering werkelijk mogelijk is en een gebrek aan vertrouwen dat zij daar zelf een aanzet toe kunnen geven.

Daarvan wil Jezus zijn leerlingen nu overtuigen, dat het begint met geloof dat het anders kan, met vertrouwen van de leerlingen in wat mogelijk is.

 

Bijvoorbeeld het zich verplaatsen van een berg.

Huh? Staat dat er nu echt?

Ja, Jezus zegt: als je vertrouwen hebt als een mosterdzaadje dan zul je tegen een berg durven zeggen: ‘verplaats je van hier naar daar’ en dat gebeurt.

 

Jezus grijpt naar een beeld dat voor handen is, namelijk de hoge berg waarop Jezus zojuist God ontmoette. Een berg is in de Bijbel de plek waar hemel en aarde elkaar raken, waar de ontmoeting met God plaatsvindt.

Daarom kunnen we Jezus’ woorden als volgt verstaan:

Jullie kunnen dingen van God teweeg brengen, jullie kunnen hemel en aarde bewegen omwille van de mensen, geloof daarin!

Dat heeft niet te maken met een groot geloof of met spierballenkracht, maar met overtuigd zijn van de mogelijkheid van verandering, van spreken met gezag, van God niet zien als een vaststaande berg maar als Eén die met ontferming bewogen wordt.

 

Jezus wijst de leerlingen niet terecht vanwege hun kleingeloof, maar Hij roept ze op vertrouwen te hebben in wat geloof vermag.

De leerlingen lijken machteloos te staan tegenover de beide vaders en hun zonen die moeten lijden. Maar ze zijn niet machteloos.

Als ze vertrouwen hebben in dat er doorgang is in het leven van mensen, dan kunnen ze dat vertrouwen ook geven.

 

En dat geldt ook ons.

Als wij geloven in doorgang in het leven van mensen, dan is er veel mogelijk. Dan zullen we hemel en aarde willen bewegen wanneer we zien dat mensen vastzitten, en dan zullen we ons niet laten verblinden door wat groot geloof heet te zijn, maar onbeweeglijk is. Dan zullen we elke dag proberen in beweging te komen en:

 

Geloven dat een zaadje niets minder is dan een boom in wording.

Vertrouwen dat een ideetje kan leiden tot een opgeknapt dak boven zoveel hoofden.

Geloven dat ieder mens groeit wanneer een ander vertrouwen uitspreekt in zijn mogelijkheden

Vertrouwen dat wanneer één begint, anderen zullen meedoen en het vertrouwen zullen aanvullen.

Geloven dat God niet onbereikbaar is, maar ook hier in ons midden, bewogen.

 

Dat vertrouwen, dat geloven, gaat ons dat lukken?

Jezus verzekert ons van wel.

En als wij dat vertrouwen, dan zijn wij al een eind op de goede weg.

Amen

27 augustus

Zomerdienst Oranjekerk en Willem de Zwijgerkerk

Ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Matteüs 16: 21-27


Inleiding op de Schriftlezing

Vandaag lezen we een gedeelte uit het evangelie volgens Matteüs dat nog meer betekenis krijgt wanneer je weet welk gedeelte eraan vooraf is gegaan. Daarom geef ik u dat kort weer.

De voorafgaande tekst heet ook wel ‘de belijdenis van Petrus’ (Matt 16: 13-20). Jezus is met zijn leerlingen onderweg en wordt regelmatig op de proef gesteld door Farizeeën en andere Schriftgeleerden. Dan komt het moment dat Jezus zijn leerlingen de vraag stelt ‘Wie ben ik volgens jullie?’. En Petrus antwoordt: ‘U bent de messias, de Zoon van de levende God’. Daarop zegt Jezus tegen Petrus: ‘Petrus, zalig ben jij, jij bent zoals je naam zegt een rots, op jou kan ik bouwen!’.

Wat daarna gebeurt, lezen we vandaag als Jezus zijn leerlingen vertelt wat het betékent om messias te zijn. Dat Jezus veel te verduren zal krijgen tot de dood toe.

Nu protestéért Petrus: ‘God verhoede het, Heer! Dat zal u zeker niet gebeuren!’ Jezus zegt daarop tegen Petrus ‘Ga weg achter mij, duivels is het wat je doet, je vormt een obstakel op de weg die ik moet gaan’.

Het ene moment heeft Petrus het dus helemaal begrepen, God heeft hem aangeraakt, en het andere moment begrijpt hij het helemaal niet, dan spreekt de duivel via hem. Dat dit kan en gebeurt, dat Petrus het ene moment de hemel in wordt geprezen vanwege geloofsvertrouwen en 6 verzen later toch zo terecht wordt gewezen, dat is op zichzelf al een boodschap van dit evangelie. Dat kan dus, dat je beide bent, een rots in de branding en een struikelblok voor Jezus. En in beide gevallen hoor je erbij, ben je leerling, ben je van betekenis voor het verhaal van wie Jezus is en hoe we Jezus kunnen volgen.

Jezus is de Messias én moet lijden, kunnen wij dat volgen?

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

‘Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen’, dat is wat Jezus Petrus verwijt. En Jezus wijst Petrus op zijn plek, nl. niet voor Jezus, in de weg, maar achter hem, als volgeling.

Petrus heeft zijn hart laten spreken en het is zo begrijpelijk wat hij zegt. De angst dat anderen zijn Heer kwaad zullen doen, grijpt hem bij de keel. Het doet hem zelfs uitroepen ‘God verhoede dat dat gebeurt’.

Maar wat zegt hij daar nou? Petrus is te snel, hij heeft niet goed geluisterd en hij denkt alleen aan wat de mensen willen en niet aan wat God wil.

Want dit heeft Jezus gezegd: ‘dat hij naar Jeruzalem moest gaan en veel zou moeten lijden door toedoen van de oudsten, de hogepriesters en de ​schriftgeleerden, en dat hij gedood zou worden, maar op de derde dag uit de dood zou worden opgewekt.’

(Had u dat gehoord?)

Alle aandacht van Petrus is uitgegaan naar het lijden en de dood – die dingen die door de hand van mensen zullen gebeuren. En die Petrus niet waar wil weten voor de Messias.

Maar dat laatste, dat God wil dat Jezus leeft en hem zal opwekken uit de dood, dat hoorde Petrus niet. Want dan had hij zeker niet gezegd: ‘God verhoede dat dat gebeurt’.

Nu is dit niet zo gek denk ik, Petrus is ook maar een mens, en dat lijden dat grijpt hem aan. Wat van God komt, dat is veel ongrijpbaarder. Daarom zegt Jezus: kijk anders, laat je niet leiden door wat van de mensen is, maar door wat van God is. Dat moeten de leerlingen, Petrus voorop, oefenen.

2. En dat is een hele opgave. Want het vereist dat Petrus, en ook wij, uitstijgen boven de angst om lijf en goed te verliezen.

Er is iets, er is Iemand, belangrijker en kostbaarder dan dat.

Jezus zegt het zo:

Wie achter mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en mij volgen. Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij, zal het behouden. Wat heeft een mens eraan de hele wereld te winnen als hij er het leven bij inschiet?’

Zo’n zin is vragen om misverstanden. Je zou haast kunnen denken dat Jezus zijn volgelingen opdraagt om zich te onthechten. Om hun eigen leven te relativeren en zichzelf weg te cijferen en om alle pijn die dat kost dan maar gewoon te incasseren. Alsof pijn je dichter bij God brengt.

Het lijkt mij niet de bedoeling van deze tekst.

Het woordje ‘moeten’ in de Bijbel leidt vaak tot misverstanden.

Zoals Jezus niet ‘moet’ lijden in de zin van ‘dat is de enige manier waarop je Zoon van God kan zijn, zo ‘moet’ een volgeling van Jezus ook niet ‘zijn kruis opnemen en dus lijden’ om een goede volgeling te zijn.

Het is andersom.

Doordat Jezus zich vasthoudt aan wie Hij is, Zoon van God, Messias, en dus de woorden van God spreekt, daardoor weet je zeker dat Hij op weerstand zal stuiten. ‘Dat moet wel misgaan’, kun je zeggen. Niet omdat het van iemand moet, maar omdat dat de consequentie is in deze wereld, als je je zo laat kennen.

Zo is het ook voor volgelingen van Jezus. Die ‘moeten’ wel lijden, niet van iemand, maar door de wereld waarin we leven. Want daar kom je eens mee in conflict, als je niet weg wilt kijken, maar je geroepen voelt op te staan, op te komen voor wat recht is, vast wil houden aan het woord van God. Jezus niet verloochenen, kan betekenen dat je tegen de orde en het goede fatsoen in moet gaan en jezelf op het spel zet, je status, je veiligheid.

3. ‘Wat baat het een mens als hij de hele wereld wint maar schade lijdt aan zijn ziel?’.

Wat Jezus zijn leerlingen leert, over je leven behouden danwel verliezen, doet mij denken aan aantekeningen van Etty Hillesum, die zij als jonge Joodse vrouw schreef tijdens de Tweede Wereld Oorlog. Ik lees er een gedeelte uit voor (ZONDAGOCHTENDGEBED: 12 juli 1942):

Het zijn bange tijden, mijn God. Vannacht was het voor het eerst, dat ik met brandende ogen slapeloos in het donker lag en er vele beelden van menselijk lijden langs me trokken. Ik zal je een ding beloven, […] Ik zal je helpen, God, dat je het niet in mij begeeft, maar ik kan van te voren nergens voor instaan. Maar dit ene wordt me steeds duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en door dat laatste helpen we ons zelf. En dit is het enige wat we in deze tijd kunnen redden en ook het enige waar het op aankomt: een stukje van jou in ons zelf, God. En misschien kunnen we ook eraan meewerken jou op te graven in de geteisterde harten van anderen. Ja, mijn God, aan de omstandigheden schijn jij niet al te veel te kunnen doen, ze horen nu eenmaal bij dit leven. Ik roep je er ook niet voor ter verantwoording, jij mag daar later ons voor ter verantwoording roepen.

En haast met iedere hartslag wordt het me duidelijker: dat je ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en dat we de woning in ons, waar jij huist, tot het laatste toe moeten verdedigen. Er zijn mensen, het is heus waar, die nog op het laatste ogenblik stofzuigers in veiligheid brengen en zilveren vorken en lepels in plaats van jou, mijn God. En er zijn mensen die hun lichaam in veiligheid willen brengen die alleen nog maar behuizingen zijn voor duizenden angsten en verbitteringen. En ze zeggen: mij zullen ze niet in hun klauwen krijgen. En ze vergeten dat men in niemands klauwen is, als men in jouw armen is. […]

4. Het zijn woorden krachtig geschreven. Net als Petrus zo krachtig en volmondig zijn geloofsbelijdenis sprak. Van Petrus hoorden we hoe hij even later niet meer zo vol vertrouwen was. Etty Hillesum rondt haar schrijven af met: ‘Je zult ook nog wel eens schrale tijden in mij beleven, mijn God, niet zo krachtig gevoed door mijn vertrouwen, maar geloof me, ik zal voor je blijven werken en ik zal je trouw blijven en je niet verjagen van mijn terrein’.

Het is maar goed dat we van Petrus en van Etty ook de andere kant mogen zien.

Want die kant hoort erbij. De kant van niet willen weten en falen, van niet vertrouwen en nog veel moeten leren. Als we die kant van hen niet zouden zien, lijkt het of God hooghouden ons niets zou hoeven kosten. En alsof onze twijfel, angst en zoeken niet erbij zouden horen.

Ja, het kost wat je te laten leiden door de dingen van God, maar laat je er niet door ontmoedigen!

Zorg voor je ziel, bewaar de plek van God in jou. Dan zul je leven.

Amen.

20 augustus

Zomerdienst Oranjekerk en Willem de Zwijgerkerk

Ds. Marleen Kemink

Overweging Mattheüs 15:21-28




Geliefde mensen van God,

Stelt u zich eens voor dat vanochtend het volgende gebeurd was: Joost had alleen de eerste 2 zinnen van het evangelieverhaal gelezen en was daarna gestopt. Die eerste zinnen vertellen het volgende: Jezus is in het buitenland en hoort daar een Kanaänitische vrouw roepen: ‘Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David! Mijn dochter wordt gekweld door een demon!’

Als we dit verhaal niet eerder gehoord hadden, hoe zou het volgens u dan verder gegaan zijn? ….Ja, natuurlijk! Jezus ontfermt zich over deze vrouw! Hij, die als een liefhebbende rabbi rondtrekt, zal haar vol begrip aankijken en haar dochter genezen. Zó is Jezus. Zo kennen we Hem uit al die verhalen die over hem geschreven staan: liefdevol en met ontferming bewogen, juist ook voor de mensen in nood. Een mens naar God’s hart.

Des te stuitender is het wat er in de zinnen daarna staat. Jezus keurt deze vrouw geen woord waardig. Hij zwijgt, in alle talen, ook in de ‘tale Kanaäns’. Zijn leerlingen doen er zelfs een schepje bovenop en zeggen tegen Jezus: ‘Stuur haar toch weg!’ Ze blijft maar achter ons aan schreeuwen. Ze is ‘een plakkerd’, zouden we in onze tijd zeggen. Je komt maar niet van haar af als je niets doet.

Wat is hier aan de hand? Jezus lijkt hier in het buitenland volledig de weg kwijt. Alsof Hij vergeten is waartoe Hij op aarde is gekomen. Of zijn Hij en zijn leerlingen misschien toe aan een broodnodige vakantie? In het Marcusevangelie waar dit verhaal ook staat opgeschreven, horen we dat Jezus rust zoekt. Is dat het? Is Jezus verstoord omdat zijn rust verstoord wordt? Is de last op zijn schouders misschien zo zwaar geworden in eigen land, dat Hij niets meer te geven heeft aan de mensen over de grens?

Jezus licht zijn zwijgen toe aan zijn leerlingen: ‘Mijn missie richt zich alleen op de verloren schapen van het volk van Israël.’ Jezus’ missie heeft een duidelijke focusgroep. Is dat erg kun je je afvragen? Je kunt toch immers niet álle mensen helpen? Er zijn grenzen. Als je iedereen maar toelaat, dan houd je geen ruimte over. Je moet op een gegeven moment paal en perk stellen. Tot hier en niet verder.

Maar dat is toch niet de roeping van Jezus, de Zoon van David? Hij zou toch het ware Koningschap laten zien? Als een rechtvaardige koning ook het brood gaan delen met de volken om Israël heen? Het staat er zelfs aan het eind van het Mattheüsevangelie: ‘Ga heen en maak alle volkeren tot mijn discipelen.’

Het ongelooflijke in dit verhaal is dat de Kanaänitische vrouw, een moeder die lijdt onder haar zieke kind, zich niet uit het veld laat slaan door deze mannen. Ze laat zich niet wegsturen. Integendeel, ze zet nog een stap naar Jezus toe, komt dichterbij. Ze werpt zich zelfs voor hem neer. Zoals gepast is in de aanwezigheid van een ware Koning.

‘Heer, help mij!’

God’s koningschap en liefde is er toch voor ieder mens, hoor je haar denken? Die liefde doorbreekt toch de grenzen van ras en gender? Ik ben een moeder die in wanhoop strijdt voor haar kind. Mijn wanhoop is toch dezelfde als een moeder in een ander land? Hetzelfde bloed stroomt door onze aderen. ‘Heer, help mij toch’. Moederziel alleen zit ze daar met haar handen opengevouwen. Op de afbeelding op de voorkant van de liturgie zien we haar zitten, op haar knieën. 

Ik moet hier denken aan een onlangs veelbekeken filmpje op internet. Vooraanstaande religieuze leiders van over de hele wereld sporen aan om vriendschap te sluiten met mensen van andere religies. Eén van hen vertelt dat het bijzondere is van tijd doorbrengen met mensen die totaal anders zijn dan jij, is dat je ontdekt hoeveel je gemeenschappelijk hebt: dezelfde angsten, hoop en zorgen. Ons mens-zijn is dat wat ons verbindt. Gek genoeg moet ons dat telkens weer in herinnering gebracht worden. Zo snel krijgt het hokjes denken vat op ons: jij bent zus en jij bent zo. Jij hoort erbij en jij niet.

Zal Jezus nu eindelijk haar handen vastpakken, haar in de ogen kijken en haar laten weten dat God’s ontferming ook voor haar bedoeld is? Nee, Jezus houdt vast aan zijn missie. Hij antwoordt haar: ‘je moet het brood niet afpakken van de kinderen om als voedsel aan de honden te geven.’ Dat is een ongelofelijk hard woord: honden zijn onreine dieren. En hij schaart deze vrouw dus onder de honden. De honden aan wie het brood van God niet besteed is. Het is opnieuw een afwijzing: ‘Ik ben er niet voor jou.’

Maar deze moeder is standvastig. Ze laat zich niet afwijzen. Ze houdt vast. En ik vind het prachtig hoe ze het doet, hoe ze het onder woorden brengt. Ze spreekt Jezus eigenlijk niet eens tegen. ‘Zeker,’ zegt ze, ‘de kinderen eten brood, maar de hondjes eten toch óók! Onder de tafel eten zij de kruimels!

Lieve mensen, ik denk dat de wereldgeschiedenis afhankelijk is van deze vrouw. Van deze vrouwen. Van mensen die niet loslaten, zich niet laten afwijzen. Maar volhouden. Dat klinkt misschien wat groots, maar ik denk het echt: onze wereld, onze buurten en onze kerk is afhankelijk van mensen die blijven roepen om recht. Die de grenzen van de liefde blijven opzoeken, wegen van toekomst voor de volgende generatie. Want daar gaat het om: het gaat deze moeder niet om haarzelf, het gaat om haar kind, haar dochter. Dat de volgende generatie toekomst heeft!

En dan gebeurt het wonder in het verhaal: Jezus laat zich raken én overtuigen. Het is alsof zijn gesloten hart eindelijk openbreekt. Alsof Hij niet langer bestand is tegen zoveel vasthoudendheid en geloof van deze vrouw. Hij geeft zich gewonnen. Alsof hij voor het eerst haar écht kan zien, met nieuwe ogen, als een geliefd kind van God. Niet langer als een hond, maar als een mens van vlees en bloed.

In al die verhalen uit de evangeliën gaat het steeds over mensen die zich omkeren in de liefdevolle aanwezigheid van Jezus. Maar vandaag wordt Jezus zelf omgekeerd. De grensoverschrijdende liefde van God breekt door in Jezus eigen hart. Ver van huis, in een vreemd land, beseft Hij door wat deze moeder laat zien, dat God’s liefde geen grenzen kent. Dat je haar niet kunt inperken. Dat die liefde bedoeld is om uit te delen aan alle volken over de hele aarde.

Die liefde van God wil tot op de dag van vandaag ook de grenzen doorbreken die wij onszelf en elkaar stellen. Laten we daarom nooit ophouden die Liefde te zoeken en in ons leven daarvan te getuigen.

Moge het zo zijn.

Amen.

24 juli

1e Zomerdienst

Thema: ‘Onkruid’

Tekst: Matteüs 13, 24-30.36-43

Ds. Christine van den End
 


Afbeelding: ‘Distels’, Vincent van Gogh (1888)

Kinderverhaal

Hanna was bij haar oma Els aan het logeren. En het aller, allerleukste was wel dat oma een tuin had!
Zodra Hanna uit bed kwam, deed ze haar slippers aan en liep ze de tuin in. Mmm, het rook er zo lekker. Hanna ging op zoek naar de spin in z’n web. En waar was de merel die altijd zo eigenwijs rond hipte. De slak, natuurlijk, in de buurt van de regenpijp. Wat Hanna allemaal niet zag bij oma Els in de tuin…?!

Toen ze hun boterham op hadden, zei oma: we moeten aan het werk Hannah! Kijk ’s hoe hard alles gegroeid is. ‘Dat komt toch door de zon oma?’ ‘En vergeet de regen niet!’, antwoordde oma. Ze liep naar de schuur en pakte de grasmaaier. ‘Maai jij het gras? Dan knip ik de lange slierten van de klimop.’ Grasmaaien kon Hannah supergoed, dus dat was zo gepiept. Ze harkte het gras bij elkaar en reed het met haar eigen kruiwagentje naar de groene afvalberg, helemaal achterin oma’s tuin. ‘Au, hè bah!’ dacht Hanna. Ze was met haar arm tegen die nare brandnetels aangekomen. Dat prikte! Lag er in de schuur ook niet zo’n scherp krom ding, een soort van reuzemes? Als Hanna die nou eens pakte om de brandnetels weg te krijgen…?

‘Tjonge, wat zwaar zeg’, dacht Hanna toen ze hem de schuur uit tilde. ‘Werken in oma’s tuin is niet niks!

‘Wat ga jij nou doen met die zeis Hanna?’ hoorde zo oma vragen.
‘Ik wil de brandnetels omhakken, iedere keer als ik in die hoek kom, wordt ik geprikt!’ en Hanna liet oma Els haar rood gespikkelde arm zien. ‘Nou, dat ziet er naar uit! Kom,’ zei oma, ‘ik weet daar wat op’. Ze plukte een paar kleine blaadjes uit de tuin en smeerde die uit op Hanna’s arm. Precies waar het zo prikte. ‘Wacht maar even, dan wordt de prik vanzelf minder’.

‘En die brandnetels… heb je gezien dat er ook hele mooie bloemen tussen staan?’ Nee, dat had Hanna nog niet. Nu keek ze eens goed en ja, er stonden hoge paarse en witte bloemen tussen, met mooie klokjes waar de bijen in en uit floepten. Wat een grappig gezicht! ‘Als we die zeis gebruiken, maaien we alles om. Dat vind ik zonde’, zei oma. ‘En het grappige is… sommige mensen willen die mooie bloemen echt niet in hun tuin, omdat ze giftig zijn’. Met haar tuinhandschoenen aan knipte oma een paar takken brandnetel af. ‘Zo, nu is er wat meer ruimte voor je kruiwagen en voor jou.’ Oma hield de takken voorzichtig omhoog. ‘Deze kunnen je niet meer prikken! En ik kook er straks een heerlijk soepje van voor tussen de middag. Dat hebben we na ons harde werken wel verdiend!’

=====================================================================

Overweging


Geliefde mensen van God, gemeenschap van Jezus Christus,

Waar zouden we aan kunnen denken bij ‘onkruid’? En dan bedoel ik onkruid als beeld voor dingen die ons leven kunnen verstikken. Want dat is wat Jezus zijn hoorders voorhoudt: op de akker van ons leven komen we ook onkruid tegen. En hoe moeten we daarmee dealen?

Vlak hiervoor heeft Jezus de gelijkenis van de zaaier verteld. Daarmee bepaalde hij de mensen bij wat er in hun leven te zien viel van het goede zaad dat gezaaid werd. Viel het in vruchtbare grond? Of wortelde het niet makkelijk, vanwege rotsen of een harde weg waarop het terecht kwam? Raakte het zaad verstrikt tussen de distels? Allemaal vragen die de hoorders prikkelden na te denken over het goede dat in hun leven gezaaid werd en waarom dat de ene keer wel en de andere keer niet tot bloei kwam.

In de gelijkenis van vandaag ligt de focus op onkruid.
Waarom is dat onkruid er eigenlijk?
Een waaromvraag die verwijst naar de oervraag naar het kwaad…
Als God de schepper is, waarom laat hij dan het kwaad toe?
Als God de zaaier is, waar komt dan het zaad van het onkruid vandaan?
In een gelijkenis moeten we het met beelden doen… maar wat ons hier wordt voorgehouden, is dat het onkruid er gewoon is, God kan daar blijkbaar niks aan doen. Er zijn ook andere zaaiers, andere krachten in het spel. Kwade krachten.

Bepaalde types onkruid zijn natuurlijk niet te missen.
Je zou maar moeten leven in oorlogsgebied, op de puinhopen van Mosul of Aleppo.
Wat als je huis ingestort is door een aardbeving, zoals in Kos en Bodrun.
En wie leeft er deze dagen niet mee met de familie van Nouri, de Ajax voetballer, hoe groot het drama van hun hersendode zoon, tot voor kort zó springlevend, veelbelovend en verbindend.
Het seksueel misbruik dat deze week naar buiten kwam rond een Rooms-katholiek knapenkoor in Duitsland, en vergelijkbare doofpotverhalen uit de kringen van Jehova’s getuigen.
Ja, dit soort onkruid verstikt en woekert maar door. Levenslang!

Overduidelijk kwaad zijn deze dingen, onkruid dat je het liefst gelijk met wortel en al uit zou willen roeien. Ander onkruid is niet altijd als onkruid te herkennen, het neemt sluipenderwijs ons leven over.

Helemaal opgaan in je werk, misschien herken je dat. Gewoon, omdat het nu eenmaal niet anders kan en je goed moet presteren om je baan te behouden. Het gaat je niet alleen om brood op de plank, je wil ook meetellen... je werk en je salaris geven je het gevoel dat je ertoe doet. Dat je werk onkruid wordt, waardoor mooie dingen in het leven die er ‘zomaar’ zijn, vriendschap, familie, vrije tijd, een beetje buiten beeld raken, het kan gebeuren zonder dat je er erg in hebt. Werk als onkruid dat het andere overwoekert.

Of onze gezondheid.  Kan die ons zo in beslag nemen dat het verstikkend wordt?
Natuurlijk, je zou maar plotseling in het ziekenhuis belanden. Te horen krijgen dat je ongeneeslijk ziek bent. Dan is dat alles bepalend in je leven. Het is een kwaad waartoe je je moet verhouden en hoe ongelofelijk ingewikkeld is dat! Maar op een meer sluipende manier kan gezond-zijn ons ook in beslag nemen. Het idee dat we zelf onze gezondheid in de hand hebben is een beeld dat ons vandaag de dag maar al te graag wordt voorgehouden. We moeten de regie pakken over ons eigen leven, zo horen we, zo denken we zelf vaak ook. Maar hoeveel ruimte blijft er dan voor dat wat niet maakbaar is? Voor het onverwachte waartoe we ons moeten verhouden? Onze focus op een gezond lijf en een gezond leven kan maken dat onze kwetsbaarheid buiten beeld raakt. Een kwetsbaarheid die we met elkaar delen en waarover we soms maar met moeite durven te praten.

Relaties kunnen ook verstikkend zijn. Laten we wie we zelf zijn overwoekeren door helemaal op te gaan in onze zorg voor anderen? Maar als we zelf tot bloei willen komen, wat voor ruimte hebben we dan nodig van anderen, in vriendschap, in liefde? Hoeveel ruimte gunnen wij de mensen met wie we het leven delen…? Onze kinderen, onze broers of zussen?

Het verhaal over onkruid in de akker bepaalt ons deze morgen bij het onkruid in de wereld en in ons eigen leven. Kwaad dat er is en dat God niet gewild heeft. Kwaad dat God veroordeelt.

De eerder vertelde gelijkenis van de zaaier doet ons beseffen dat de verschillende typen van zaad niet zozeer verschillende typen mensen zijn, maar eerder ervaringen die elkaar afwisselen in een mensenleven. In het verlengde daarvan kun je ook het beeld van het onkruid interpreteren: je bent niet het een òf het ander. Het kwaad heeft invloed op ieder van ons, van buitenaf en van binnenuit. In sommige tijden van leven lijken we meer onkruid te oogsten dan graan. Sterker nog, de wortels van het onkruid zijn verstrengeld met die van het graan. Soms weten we het kwade uit ons leven te bannen en prijzen we onszelf gelukkig. Soms hebben we niet in de hand dat ziekte, pijn, woede en verdriet de overhand krijgen. Maar er is altijd hoop op een nieuw seizoen, een nieuw begin, een nieuwe dag die wel vruchtbaar is. Als het zaaien doorgaat, dan ook het oogsten! Dankbaarheid voor het goede, en ruimte om wat niet goed is onder ogen te komen. Misschien pakken we wel de snoeischaar om te knippen: dode takken, rare uitschieters, uitgebloeide bloemen. Misschien durven we het onkruid dat ons sluipenderwijs verstikt aan te pakken. In ons werk. In hoe we omgaan met de mensen om ons heen. In hoe we zorgen voor onszelf.

Maar met wortel en tak het kwaad uitroeien… dat gaat ons niet lukken.
En wat kan dat moedeloos maken.

Het bijzondere is: de kern van deze gelijkenis is geduld. Jezus houdt de mensen bovenal voor geduld te hebben. Het onkruid is er nu eenmaal. Kwade dingen tekenen het leven van ieder mens. De Schepper heeft er weet van. Van de kwetsbare plantjes die we zelf zijn. Dat de wortels van wat vruchtbaar is in ons leven verstrengeld zijn met wortels van onkruid. En dat soms helemaal niet duidelijk is wat nu koren oplevert en wat kaf . Om te groeien als mens, zullen we rekening moeten houden met het kwaad. Het er soms mee uit moeten houden, omdat het is zoals het is.

Er is hoop op gerechtigheid aan het einde van de tijd… Iets wat we in het leven soms al zien gebeuren: dat kwaad uiteindelijk geen stand houdt. Ook nu al wordt er geoogst, kaf van koren gescheiden als voorafspiegeling van wat komt.

De parabels die tussen het verhaal en de uitleg in staan, twee korte gelijkenissen die we vandaag niet lazen, onderstrepen het geduld èn de hoop!

Over hoe het kleinste zaadje uit kan groeien tot een grote boom, waarin de vogels hun nesten bouwen. Over hoe een vrouw met een beetje zuurdesem uiteindelijk alle drie haar zakken meel doordesemt. Zo houdt Jezus de mensen toen en nu voor: heb geduld… houdt moed, voor de wereld, voor je eigen leven.

Dat werpt een bijzonder licht op hoe we hier deze morgen samen zijn.
Ook in onze kerkgemeenschap weten we van goed zaad en van onkruid. Er groeit en bloeit van alles in Zuid: de kerken bieden ruimte om te vieren, te eten, te delen, je te bezinnen en troost op het spoor te komen.
Maar het ervaren van verbondenheid en zin kan zomaar overwoekerd raken.
‘Zoek de stilte, vind de ruimte’, zo zongen we aan het begin van de dienst. Dat het verhaal van vanmorgen ons bepaalt bij de ruimte die er is, bij de hoop die ons gaande houdt en bij Gods geduld met alle mensen, want God maakt geen onderscheid. Laten we daarom groeien aan elkaar, binnen èn buiten onze kerkmuren.

De oogst zal ons verrassen!
Amen