12 juli

Overweging 1e zomerdienst 12 juli 2020 Thomaskerk ds. Jantine Heuvelink

Lezingen: Matteüs 13: 1-9, 18-23; Prediker 11: 4-6.

 

Inleiding op de Schriftlezing

‘Wat heb je nodig als je gaat zaaien?’ vraagt de juf.

De kinderen weten het meteen.

Je hebt een kuiltje nodig in de grond en daar stop je het zaadje in.

En je hebt water nodig, en licht en warmte, dan gaat het zaadje groeien.

En je moet de zaadjes niet te dicht bij elkaar planten, want dan hebben ze niet genoeg ruimte om te groeien.

 

De juf zucht. Alles wat de kinderen vertellen is waar, maar zij wilde graag het verhaal vertellen van de Zaaier, het verhaal dat Jezus de mensen vertelt, waarin het ook gaat om de goede grond die je nodig hebt en dat zaait niet ontkiemt als het op de weg terechtkomt, of op rotsachtige grond, of tussen de distels.

Jezus vertelt de gelijkenis om te laten zien hoe het gaat met het woord van God dat overal wordt gezaaid, maar alleen daar ontkiemt waar goede grond is, namelijk in mensen die het Woord horen én doen.

 

Dat verhaal over de zaaier en alle soorten grond, dat wil de juf vertellen.

Maar de kinderen hebben er geen oren naar.

Zij zijn vol van hun ervaringen met tuinkers en eigen gekweekte zonnebloemen.

En ja, ook daarmee doen zij het verhaal van de zaaier recht.

 

 

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

 

Bij het horen van de gelijkenis van de zaaier, komen gemakkelijk beelden op.

Bekende beelden van de zaaier, zoals geschilderd door Vincent van Gogh. 

Of beelden uit de praktijk, van de vreugde om zaadjes te zaaien in eigen grond, de schrik als de vogels erop afkomen, de afwachting of andere zaadjes wel tot bloei zullen komen en de verwondering als dat inderdaad zo gaat.

 

De gelijkenis van de zaaier is de eerste van wel 8 gelijkenissen in dit 13e hoofdstuk van Matteus dat als kopje heeft ‘Gelijkenissen over het Koninkrijk van de hemel’. Jezus spreekt in gelijkenissen tot de mensen. In beeldtaal dus.

Jezus doet dat vaker, maar dit is één van de weinige plekken waar Jezus de gelijkenis ook uitlegt. Helaas wordt de gelijkenis daarmee niet op slag helder. Het blijft beeldspraak. We horen dat met het zaad het woord van God wordt bedoeld en dat goede grond staat voor mensen die dat woord van God horen en begrijpen. Wat nu precies hun vruchten zijn, dat blijft onduidelijk. En is de zaaier nu God of Jezus?

 

Het ligt voor de hand om bij deze gelijkenis in te gaan op de vraag welk grondsoort u en ik zijn. Zijn we als de weg, begrijpen we niets van het woord van God en is het dus binnen de kortste keren weer weggepikt uit ons hart? Of zijn we als de rotsachtige grond, oppervlakkig, zonder diepgang en dus gevoelig voor de minste of geringste tegenstand die we zullen krijgen? Of zijn we als de grond vol distels, zijn we vol van andere dingen in het leven en krijgt het woord bij ons dus niet de ruimte? Of zijn we goede grond, geven we gehoor aan de oproep ‘Laat wie oren heeft goed luisteren!’ en dragen we dus vrucht?

Het is een leuk gespreksonderwerp om na te gaan wat voor grond we zijn, vandaag misschien wat rotsachtig, morgen weer vol distels, maar dat is niet waar de gelijkenis om gaat. Het is immers niet de gelijkenis van de grondsoorten, maar de gelijkenis van de zaaier en het Koninkrijk.

 

2. Wat opvalt in de gelijkenis is dat er zo rijkelijk gezaaid wordt én volop geoogst.

De zaaier is een royale zaaier. Hij heeft blijkbaar zaad genoeg, want hij zaait maar in het wilde weg. Slordig zou je het kunnen noemen, dat er zulke grote delen van het zaad neerkomen op plekken waar ze geen vrucht zullen dragen. Wij zouden dat misschien zelfs zonde willen noemen, zonde van het zaad, maar de zaaier houdt niet in.

En wat de zaaier doet heeft resultaat. Wat hij zaait in goede grond geeft een royale oogst. Honderdvoudig draagt dat zaad vrucht. En soms iets minder, zestig of dertigvoudig, maar in principe, het uitgangspunt is: honderdvoudig!

 

Deze gelijkenis van Jezus is een bemoediging voor de mensen in zijn tijd en in de tijd van de evangelist Matteus. Zij moeten zich niet laten ontmoedigen door wat mislukt bij de verspreiding van het Woord van God. Want ondanks alle tegenstand zal het Woord van God wel zeker verder gaan, in goede aarde draagt het vrucht, hoe dan ook en meer dan je denkt.

 

Ook in onze tijd komt de vraag op hoe het moet met dat Woord van God, als je ziet dat zo weinig mensen er oren naar hebben. Als het toch tegen dovemans oren is gezegd, waarom zouden we er dan nog de boer mee op gaan? Is het dan niet zonde om telkens weer nieuwe wegen te zoeken? Kunnen we dat uitdragen van het Woord van God niet beter beperken tot die plekken, bijvoorbeeld in de kerk, waar het de meeste kans maakt om gehoor te vinden?

 

De gelijkenis van de zaaier én de uitleg die Jezus geeft laten twee kanten zien van de werkelijkheid, onze werkelijkheid. Enerzijds zaait de zaaier overvloedig en draagt het zaad in goede aarde overvloedig vrucht. Anderzijds ontkiemt het Woord op veel plekken niet, alleen maar in goede aarde. Beide staan naast elkaar: de reikwijdte en kracht van het Woord van God en de ervaring dat het zonder goede aarde geen vrucht draagt.

Nogmaals, het is de kunst ons niet blind te staren op de grond. Dat doet de zaaier immers ook niet. Gods woord is er voor alle mensen, ga niet selectief te werk.

 

3. Geloven wij dat er op heel veel plekken goede aarde is, meer dan we kunnen overzien?

En geloven wij dat de opbrengst van het zaaien van Gods woord honderdvoudig kan zijn?

 

Ik vertelde u over de kinderen die opgingen in hun verhaal over het zaaien en groeien van tuinkers en zonnebloemen en die graag die ervaring wilden delen.

Daarmee raken zij aan de kern van het verhaal: de verwondering dat het zaad tot enorme groei en overdadige opbrengst in staat is. Dat is de bemoediging die van de gelijkenis uitgaat: geloof dat het groeien gaat. Zoals we ons kunnen verwonderen over de opbrengst van een zaadje, zo ook over het Woord van God: kijk in de wereld om ons heen hoevelen het op de been houdt en op de been heeft gebracht voor de goede zaak. Al die mensen die opkomen voor hun naasten, voor verdraagzaamheid, voor het milieu, omdat ze geloven dat het anders kan en moet.

 

Eén voorbeeld wil ik u niet onthouden: afgelopen week deed Geeske Hovingh van het Wereldhuis een oproep via Facebook: ze vertelde over ongedocumenteerde families in deze stad die aan de rand van de financiële afgrond staan doordat zij door corona hun informele baantjes nog niet terug hebben. Lege koelkasten is het gevolg. Aan haar oproep om €35 te doneren aan het ‘Project gevulde koelkasten’ van de diaconie werd zo veel gehoor gegeven dat Geeske 5 dagen later ‘sprakeloos’ liet weten dat er inmiddels €13.385 was gedoneerd.

Opkomen voor de mens in nood en ook het aandurven om anderen daarbij te betrekken en op te roepen om mee te helpen, het leverde ongelooflijk veel op.

Niet alleen aan gevulde koelkasten maar ook aan vertrouwen dat er veel goede grond is.

 

Jezus ziet dat wat Hij de mensen vertelt over het Koninkrijk van God, vaak niet gehoord wordt en niet begrepen. Maar dat weerhoudt Hem niet om door te gaan. Het royale gebaar van de zaaier blijft Hij maken, het Woord van God voor alle mensen, blijft Hij doorgeven. En telkens zijn er mensen die het wel verstaan en in wie het verhaal vruchtbaar wordt, ook dat gaat door.

 

4. De gelijkenis geeft ons oog voor de ruimharigheid van God en de kracht van het woord.

Een aanmoediging om die Woorden van God te blijven horen en volop door te willen geven, vind ik in deze tekst van Prediker waarmee ik wil afsluiten (11: 4-6):

‘Wie altijd op de wind let, komt nooit aan zaaien toe; wie altijd naar de wolken kijkt, komt nooit aan maaien toe. Je kent de wegen van de wind niet, je kent het kind dat in de moederschoot groeit niet, zo ken je ook de daden niet van God, die alles maakt. Zaai van de morgen tot de avond. Laat je hand niet rusten, want je weet niet of het zaad de ene of de andere, of elke keer ontkiemen zal.’

 

Moge het zo zijn. Amen.

 

 

28 juni

Verhalen zondag 28 juni 2020 'jaarsluiting' Oranjekerk Amsterdam ds. Jantine Heuvelink

 

 

Opmaatverhaal ‘Dit is het einde…’

*zucht* nu is bijna alles afgelopen. Het schooljaar is voorbij, straks nooit meer naar de basisschool. Schoolkamp is niet doorgegaan, gaat ook niet meer gebeuren. De eindborrel ook niet. En we hebben ook geen afsluiting van de sportclub, geen picknick. Alles is ineens voorbij, dit hele jaar is ineens voorbij. Afgelopen, einde.

 

Voorbij, hoe bedoel je voorbij? Alles begint toch juist: de zomer en de vakantie en dan eindelijk naar de middelbare school. Ik ga een nieuwe tas kopen en krijg een nieuwe laptop. En ik heb al plannen hoe ik mijn haar ga doen, ik wil hier een stuk blauw verven, alleen moet dat nog even mogen van mijn moeder.

 

Huh, oh, nou, voor mij voelt het vooral als dat alles nooit meer terugkomt.

 

Dat is ook zo, alles wordt helemaal anders en begint opnieuw. Maar dat is toch juist te gek, dat is toch juist het einde, joh!

 

Inleiding op de Schriftlezing Matteüs 28: 16-20

Onze Bijbellezing vandaag is het allerlaatste stukje uit het evangelie van Matteüs. Dat is na de dood van Jezus en het sluit aan bij het verhaal van Paasmorgen wanneer vrouwen bij het lege graf komen en te horen krijgen dat Jezus is opgestaan uit de dood. Een engel zegt dan tegen de vrouwen ‘Ga tegen de leerlingen zeggen dat Jezus is opgestaan uit de dood en dat Hij hen voorgaat naar Galilea en dat ze Hem daar zullen zien’.

 

En de leerlingen gaan naar Galilea, naar waar het allemaal ooit begon en ze ontmoeten Jezus. De plek waar dat gebeurt is bijzonder, het is namelijk op een berg. Hee, een berg.

Weet u thuis en weten jullie hier nog die berg die we begonnen zijn te bouwen in de kerk als project in de veertigdagentijd? Tot 16 dozen zijn we toen gekomen, van de 40. Elke zondag zouden er nieuwe dozen bijkomen. En we zouden steeds meer te weten komen over God. We zouden luisteren naar Jezus die vanaf een berg, in een bergtoespraak, de Bergrede, de mensen vertelde over God en over hoe het Koninkrijk van God, Gods nieuwe wereld, eruit ziet. Gods nieuwe wereld dat heeft alles te maken met hoe mensen voor elkaar zorgen, niemand buiten sluiten, en leven zoals God dat wil belangrijker vinden dan om zelf belangrijk te zijn. Heel veel mensen hebben toen en ook later naar die woorden van Jezus vanaf die berg geluisterd.

 

Precies naar die plek, die berg, gaan de leerlingen van Jezus na zijn dood terug om Jezus te ontmoeten. Het leek allemaal afgelopen en nu dit. Is dit nu het einde…, of?

 

Verhaal ‘Tussen hemel en aarde’

Hoi, ik ben een leerling van Jezus, ik was erbij aan het begin toen op die berg. Ik heb alles gehoord wat Jezus zei. Het waren echt prachtige verhalen. Ook wel ingewikkeld hoor, soms. Nou ja, als je de verhalen van Jezus kent, dan weet je wat ik bedoel.

Het mooist vond ik dat verhaal over die man die zijn huis bouwt op een rots. Of nee het gaat over één man die zijn huis bouwt op zand – en dat huis dat stort in elkaar als het gaat regenen. En een andere man, die bouwt zijn huis op een rots, en dat huis blijft bij een storm staan. (Matt 7:24-8:1)

Ik snap wel wat Jezus bedoelde. Ik houd van klussen, maar daar gaat het verhaal niet om. Het gaat om geloven. En dat je stevig staat als je doet wat God wil.

Ik voelde me met Jezus erbij altijd wel stevig staan. Ik bedoel, ik zag dat Jezus deed wat God vroeg en hoe dat werkte. Dat was echt bijzonder hoor. Ik zag een keer een man die door Jezus weer kon lopen terwijl hij eerst verlamd was. En ik maakte heel vaak mensen mee die het leven weer zagen zitten als ze Jezus hoorden vertellen over God.

Dus ik dacht dat ik ook best een stevig geloof had en dat ik dat niet zomaar zou kwijt raken. Dat mijn geloof wel tegen een stortbui zou kunnen. Maar dat viel toch tegen. Toen Jezus gevangen werd genomen door de Romeinse soldaten toen werd ik heel bang en toen ben ik weggevlucht. Ik heb Jezus in de steek gelaten. En toen hij gekruisigd werd, dacht ik dat ik Jezus nooit terug zou zien. Ik dacht dat het allemaal voorbij was.

Maar toen ineens zeiden de vrouwen dat we naar Galilea moesten gaan. En daar op de berg daar was Jezus. Kun je nagaan: ik sta daar en ik zie Hem en ik wil dat ik stevig sta en het zeker weet, maar ik sta te trillen op mijn benen. En ik twijfel aan wat ik zie.

 

Maar Jezus twijfelt niet – Hij spreekt ons allemaal aan als zijn leerlingen, zoals Hij dat altijd doet. En Hij zegt dat het met Hem niet afgelopen is. Dat we door moeten gaan met wat Hij ons leerde. Dat we de wereld in moeten gaan om andere mensen te vertellen over God en te laten zien hoe we zo kunnen samenleven als God het heeft bedoeld.

En Jezus zegt ook dat wat Hij zegt en doet dat dat de hemel en de aarde aangaat. Jezus haalde die twee al nooit uit elkaar. De hemel en de aarde die hoorden voor Jezus bij elkaar. Hij zei altijd dat Gods nieuwe wereld niet iets is van ver weg, maar van dichtbij. Wij, jij en ik, kunnen hier al iets merken van God en iets laten zien van God.

 

Grappig toch, dat Jezus nu weer op die berg stond. Dichterbij de hemel kan je op aarde niet komen dan op een berg. Of ja als je kijkt wat Jezus doet, dan komt de hemel ook dichtbij de aarde.

Maar goed, mij is nu wel duidelijk dat het dus nog niet afgelopen is. Dat het nu eigenlijk pas echt gaat beginnen met mij in deze wereld. Ik zal het gaan doen, ik zal de mensen vertellen wat ik geleerd heb van Jezus over Gods nieuwe wereld.

Ik hoop wel dat het niet te hard gaat stormen en regenen. Want mijn geloof is wel een beetje op zand gebouwd. Nou ja, Jezus heeft gezegd dat Hij altijd bij ons zal zijn, dus daar vertrouw ik dan maar op.

En Hij is de zoon van een timmerman, he, dus met mijn huis komt het sowieso wel goed…   

 


21 juni

Roze Zondag

Lezing: Matteüs 10:16-33

ds. Wielie Elhorst


Gemeente van Jezus Christus,

Het is Jezus te doen om mensen. We hebben het niet gehoord vandaag, maar de inzet van de woorden van Jezus, die voor vandaag op het leesrooster staan, is de volgende: ‘Toen hij (dat is Jezus) de mensenmenigte zag, voelde hij medelijden met hen, omdat ze er uitgeput en hulpeloos uitzagen, als schapen zonder herder.’ Het zijn de woorden van vers 36 uit hoofdstuk 9 van het Matteüsevangelie. Bij alles wat Jezus zegt en doet is het hier om te doen: de mensen. Vandaag hoorden we heftige woorden uit het tweede deel van de rede uit het Evangelie naar Matteüs, de rede die de Uitzendingsrede is gaan heten. Er is bijna geen doorkomen aan: mensen, Jezus’ leerlingen, op pad gestuurd met de boodschap van het nabije koninkrijk van de hemel, wordt een lot voorgespiegeld dat weinig te verbeelden over laat: vervolging, haat, familieleden die tegen elkaar opstaan. Het stemt op z’n zachtst gezegd niet echt vrolijk. Wie deze woorden op waarde wil schatten, kan dat alleen door te begrijpen waarin ze geworteld zijn: in een diepe bewogenheid om mensen.

Een intensere inzet nog dan het net geciteerde vers is de eerste rede van Jezus uit het Evangelie naar Matteüs, bekend geworden als de Bergrede, in het vijfde en zesde hoofdstuk. Nog maar amper hebben we gelezen dat Jezus met zijn verkondiging begint – ‘Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij’ – of we vinden Jezus terug op een berg met een massa mensen aan zijn voeten; mensen die hebben gezien dat deze mens, deze rabbi woorden sprak die gelijk ook werkelijkheid werden, in mensen die weer mee konden doen, voorbij pijn, ziekte, kwelling, uitsluiting. Die gelegenheid, daar op de berg met al die mensen, grijpt Jezus niet aan om een systematisch betoog af te steken dat uit de doeken doet hoe het zit met dat nabije koninkrijk: wat is de visie, het mission statement, wat de strategie, wat de middelen? Nee, Hij ziet de mensen en over hen spreekt Hij een woord, in wat bekend is geworden als de zaligsprekingen. Hij ziet de mensen en zegt wie zij zijn: de nederigen, de treurenden, de zachtmoedigen, de hongerenden, de dorstenden, die naar gerechtigheid. Zij zijn de gelukkigen, in hen ligt het koninkrijk van de hemel besloten. Zij zijn gelukkig op de weg, omdat zij ménsen zijn, omdat het leven zich aan hen voltrekt, omdat zij weten wat dat leven waard is en hoe het tegemoet getreden moet worden, met wat er echt toe doet: gerechtigheid, barmhartigheid, zuiver van hart zijn, uit op vrede, niet als hoge abstracte idealen, maar aan dat leven ontstaan, aan dat leven werkelijkheid geworden. Dit is waar Jezus mee begint. Dit is zijn programma: de mensen.

Deze mensen hebben niemand. Ja, wel politieke leiders en religieuze voormannen, maar niemand die hen ziet voor wat zij zijn: kinderen van God. Jezus wil hun herder zijn, en wie Jezus’ leerlingen willen zijn, worden uitgezonden om ook herders te zijn. Zouden deze gezondenen nu zoveel weerstand ondervinden, omdat zij de boodschap van het nabije koninkrijk van de hemel verkondigen? Ik denk het niet. Er waren in die tijd talloos veel rabbi’s die rondgingen en in soortgelijke woorden een nieuwe tijd verkondigden. Nee, het aanstootgevende is dat die woorden anders dan bij veel anderen, ook werkelijkheid worden. Geen koninkrijk ver weg, ja ook, als een droom, maar één die tegelijk waar is, hier en nu, onder ons, steeds maar weer oplaaiend in mensen die niet langer op hun plek worden gehouden, - ook in het oordeel van de samenleving en van de religie over de hun toekomende plek -, maar die helen, opstaan, weer meedoen, elkaar zien, delen zonder dat het geschonken tegoed opraakt. Niets blijft verborgen, de werkelijkheid van het koninkrijk van de hemel komt aan het licht, in mensen. De woorden blijven geen woorden, maar slaan, omdat ze waar worden, materialiseren, werkelijkheid blijken te zijn, een bres in de muur van wat en wie alles graag op z’n plek houdt, met systemen, verklaringen, regels. De boodschap van Jezus is om déze reden op het scherpst van de snede, - omdat Jezus, Hij nu eindelijk, de mensen ziet, de massa, de menigte, de schare die niemand ziet – en dat zien we terug in de consequenties die het heeft voor wie zich als een leerling, als een gezondene tot deze boodschap wil verhouden; niet hoog van de toren, maar tussen de mensen, niet om een eigen of verborgen agenda, niet om een hoger doel waarin de mensen slechts functioneren als middel, maar om hen zelf, om hen alleen. Geen macht, geen belangen, maar een andere werkelijkheid die zichtbaar wordt in wie worden aangeraakt door dat onmiddellijk nabije koninkrijk van de hemel, deze wereld ondersteboven. Het zou uiteindelijk Jezus’ eigen dood betekenen. ‘Too much’ voor deze wereld, zo’n mens die ziet wie niemand ziet.

De eerste eeuwen van onze jaartelling hebben om dit geloof veel martelaren gekend. Wat de evangelist hier uit de mond van Jezus opschrijft, weerspiegelt de tijd waarin hij leeft, waarschijnlijk zo’n zeventig jaar na de dood van Jezus. Het geloof in de Levende, de liefde van God in de mens Jezus, die de dood tartte en overwon; dat geloof leeft, nog steeds, dwars tegen alle weerstand in. Toch is het niet om dat martelaarschap te doen. Jezus beschrijft en wil geen heroïek. Hij beschrijft de gevolgen van een boodschap die zijn tijd, de wereld niet wil horen. Jezus wil niet dat zijn leerlingen daaraan te gronde gaan. Zij zijn niet het middel dat zijn doel heiligt. Hij zegt: willen de mensen niet luisteren, en wordt het te heet onder je voeten, omdat zij je naar het leven staan, ga dan verder, trek verder, en spreek op een andere plek opnieuw dat woord, over dat rijk, dat in wil slaan hier en nu, waar niemand het verwacht in mensen die tegen alle verwachting in Gods kinderen blijken te zijn. Het is met Jezus wel alles of niets, dat wel. Als je de mensen blijft zien, de nabijheid van het koninkrijk in hun leven, hen dit aanzegt en aan hun leven zichtbaar maakt, dan ben ook jij zelf een kind van God, zoveel meer waard dan een mus, al de haren op je hoofd geteld, dan mag je rusten in het vertrouwen dat God je geeft wat je moet zeggen en doen. Maar als je het zicht daarop verliest, dan ga je niet langer achter Jezus aan. Dan verloochen je Hem, om de woorden van Matteüs te gebruiken. Wie verder leest, voorbij het tekstgedeelte van vandaag zal zich blijven verslikken in de heftigheid van de woorden van Jezus, als zodanig niet de woorden die wij vandaag zouden gebruiken, maar het gaat Jezus om dat scherpst van de snede, de urgentie van de keuze voor een woord dat onder de mensen wil zijn, dat daar werkelijkheid wil worden in liefde en leven, en nergens anders.

Lieve mensen, ik geloof stellig dat de woorden van Jezus, zijn goede boodschap, het Evangelie, niet het exclusieve eigendom zijn van de mensen die zich vandaag de dag naar Hem vernoemen. De verhalen, exclusieve verhalen dat wel, die wij ontvangen hebben, doorgegeven zijn door de generaties voor ons, twintig eeuwen lang, zijn voor en van iedereen. Jezus vroeg niet om lidmaatschap, of organisatie, om gebouwen en rotsvaste overtuigingen, muren en regels als pantsers. Ook vandaag zegt Hij niet meer dan dit: ‘Komt tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij’. Die inkeer is geen bekering tot het christendom, en ook geen bekering tot Jezus, maar een bekering tot zijn weg, zijn weg naar dat koninkrijk van de hemel dat ondertussen ook vlak achter Hem aan gaat in een bonte stoet van mensen, beslist veel bonter dan de mensen die zich in onze tijd christen noemen. Ik spreek hier geen verwijt uit, dan zou ik ook mezelf en ons tekort doen, maar wel een appèl dat dringend wil verwijzen naar de inclusiviteit van Jezus’ boodschap, zoveel inclusiever is dan wij kunnen vermoeden. Wie zijn die mensen achter Jezus aan? Nog eens: de nederigen, de treurenden, de zachtmoedigen, de hongerenden, de dorstenden, die naar gerechtigheid. Zij zijn de gelukkigen.

Vandaag is het Roze Zondag, de zondag die het begin van de Roze Week markeert en die uitloopt op Roze Zaterdag, in veel landen ook wel Christopher Street Day genoemd, naar de straat in New York waar in 1969 rellen uitbraken tegen de politie die niet ophield bezoekers aan de gay cafés en bars te treiteren en te arresteren. Op 28 juni 1969 was het genoeg. Mensen, homo’s, drags, trans personen, stonden op en lieten zich niet langer dehumaniseren. Ze lieten zich niet langer ontmenselijken. Het was een van de startmomenten van een beweging die inmiddels wereldwijd is geworden en die om niets anders bestaat dan om mensen, om wie mensen zijn, hoe zij de rijke uitdrukking zijn van het leven in al z’n veelkleurigheid en dat dat waardering verdient in vrijheid en gelijkwaardigheid. Om deze mensen is deze zondag een Roze Zondag, heeft deze zondag een plek in de kerken gekregen, althans in veel kerken, al bijna dertig jaar, - omdat wij menen dat ook zij daar zitten, aan de voeten van Jezus, op de berg: tegenover een mens, iemand, die hen nu eindelijk eens, ziet, als mensen in wie het koninkrijk van de hemel nabij is, in hun verlangen naar vrijheid, hongerend naar recht. Deze zondag is niet Roze, omdat het zo goed of belangrijk is om het ook eens over LHBTI+’ers te hebben, maar omdat we in hen de werkelijkheid en de waarheid van de goede boodschap van Jezus herkennen, de onmiddellijkheid van zijn koninkrijk herkennen – niet alleen in hen, maar zeker ook in hen – en omdat wij hen zo willen erkennen als reisgenoten achter Jezus aan. Als wij zo gaan bidden, dan bidden we in de eerste plaats niet voor hen, dat ook, maar vooral mét hen, hand en hand met hen als onze reisgenoten. Er is helemaal geen wij en zij. Er is alleen een wij dat weet van het leven, van wat er waar is en oprecht, eerlijk, trouw en zuiver. Genade en vrijheid voor ons allen, voor iedereen; een hemel, déze wereld omgekeerd, onder handbereik.

Amen

14 juni

Ds. Jantine Heuvelink

Inleiding en Schriftlezing Matteus 9:35-10:15


Welkom      
Welkom aan u allen die vandaag bent gegaan naar kerkdienstgemist.nl of op een andere manier, nu of later, de dienst meeviert. 
Het gaat vandaag in deze online uitzending van onze kerkdienst vanuit de Oranjekerk om Jezus die zijn leerlingen uitzendt. Uitzending dat is: de wereld in sturen.
Dat we wat we in de Oranjekerk vieren ook willen uitzenden, dat is al meer dan 100 jaar zo. Het is waar het in kerk en geloof altijd om gaat, dat je het goede van God, wat hier ontdekt en beleefd wordt, niet voor jezelf wilt houden, maar dat je daar anderen over wilt vertellen. Zeker Pinksteren en de zondagen die daarop volgen, roepen daartoe op: blijf niet binnen, maar ga naar buiten. Laat heel de wereld weten wat Jezus vertelde over God en hoe we daar zelf met onze woorden en daden iets van kunnen doorvertellen en laten zien.
Uitzending van de kerk de wereld in, dat is altijd een kern van gemeente-zijn geweest. De dienst eindigt immers met ‘Uitzending en zegen’. Soms leidt de voorganger de zegen zelfs in met de woorden: ‘Uw dienst in de wereld begint nu’.
 
En vandaag de dag begint de uitzending van de dienst al om 10.00u.
Zijn we daarmee al een stapje dichter bij het begrijpen waarom Jezus zijn leerlingen uitzendt zoals Hij dat doet? Dat gaan we ontdekken. En dat niet alleen, dat niet alleen, maar samen.     
 
Inleiding op de Schriftlezing Matteus 9:35-10:15
Twee weken geleden was het Pinksteren. Toen lazen we uit het Bijbelboek Exodus hoe God een verbond sluit met het volk Israël. Zeventig oudsten van het volk gaan bij die verbondssluiting met Mozes mee de berg op. Zeventig, het getal van de volken, want voor heel de wereld is dat Woord van God bestemd.
Vorige week hoorden we hoe Jezus na zijn dood zijn leerlingen uitzendt met de woorden: ‘Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen’. (Matt 28: 19).
Vandaag lezen we uit een eerder hoofdstuk in het evangelie van Matteus hoe Jezus zijn leerlingen uitzendt. Jezus ziet dat er veel mensen zitten te wachten op de woorden van God en daden van genezing. Jezus is om de mensen bewogen en daarom zendt hij zijn twaalf leerlingen uit om te doen wat Hij doet: nl. de onreine geesten uitdrijven, mensen genezen van elke ziekte en kwaal en verkondigen dat het Koninkrijk van God onder handbereik ligt.
 
Precies daarover gaat lied 973 dat we na de lezing zullen zingen ‘Om voor elkaar te zijn uw oog en oor, daarom roept U ons, Christus, uw gezicht te zijn’. 
Laten we nu biddend zingen om Gods Geest, dat we wat we horen ook verstaan.
 
Overweging
1. Lieve gemeente,
Gewoon maar gaan. Zonder voorbedachte rade, zonder bagage, met geen ander doel dan bij een ander te zijn en te zien wat het is dat je voor iemand betekenen kunt.
Dat is moeilijk… en tegelijkertijd: iedereen kan het!
 
2. Jezus zendt zijn leerlingen uit naar de verloren schapen van het huis Israël. Hoe kan dat nou, dat woord van God was toch voor de hele wereld bestemd? Ja, dat klopt en dat zullen we later ook lezen. Maar nu eerst zendt Jezus de leerlingen uit naar waar het beginnen moet, bij Israël. Daar zijn veel mensen die gebukt gaan onder ziekte en demonen en die wachten op een Woord, een Mens, dat hen verlicht en hoop geeft.
‘Jullie kunnen die mens zijn’, zegt Jezus.
Hij geeft de leerlingen gezag over de onreine geesten zodat ze mensen kunnen genezen. Twaalf leerlingen zijn het, zoveel als de stammen van Israël. En we horen aan hun naam en toenaam hoe zij een gemengd gezelschap vormen van broers, zonen, vrienden,  vreemdelingen, een tollenaar, een zeloot, een verrader en een twijfelaar. Het zijn niet volmaakte mensen, geen helden, en ook geen gelijkgezinden… Hun allemaal geeft Jezus de opdracht ‘Ga op weg en verkondig: “Het koninkrijk van de hemel is nabij.” Genees zieken, wek doden op, maak mensen die aan huidvraat lijden rein en drijf demonen uit’.
De leerlingen moeten kortom precies datgene doen wat ze Jezus hebben horen en zien doen. 
 
Maar hoe werkt zoiets? Als we ervan uitgaan - en laten we dat maar doen -  dat Jezus ook ons aanspreekt met deze opdracht, hoe kunnen we dat dan voor elkaar krijgen?
Want wat Jezus doet en wat we in de Bijbel lezen, dat kunnen wij toch nooit doen?
 
Ja wel dus. Jezus maakt duidelijk dat wij voor een ander kunnen zijn wie Jezus voor mensen is.
Want dat gaat niet om iets kunnen, iets bezitten, of iets in handen hebben. Maar dat gaat om kunnen ontvangen, je toevertrouwen aan een ander en met lege handen durven staan. Meer nog: juist zonder geld en een reistas en extra kleren zul je ontdekken waar je wezen moet. Want waar de leerlingen gastvrij ontvangen worden en de mensen hun komst op waarde schatten, daar moeten ze zijn. Daar kunnen ze geven wat ze zelf ontvangen hebben.
Als die gastvrije ontvangst ontbreekt, dan valt er niets te delen. Dan moeten ze weggaan en het verder laten. Want op plaatsen waar geen ruimte is voor wie met lege handen komt, bij ongastvrijheid, zoals hét kenmerk was van Sodom en Gomorra, daar laat God zich niet vinden. 
Jezus zegt eigenlijk dit: ‘niet wat jij te bieden hebt, maar de ander die jou ontvangt, maakt dat je wat kostbaar is kan delen, namelijk nabijheid en hoop.
 
3. Een voorbeeld: mijn vriendin Heleen werkt als buurtpastor in een achterstandswijk in Utrecht. Zij doet presentiewerk, zij is aanwezig als gast in de buurt, waar ze op straat of in de speeltuin in contact komt met mensen. Zij laat weten dat ze open staat voor hun verhaal. Ze luistert als mensen hun zorgen delen en komt hen tegemoet als ze haar hulp vragen. Waar andere hulpverleners een deeltaak hebben, zoals helpen bij schulden, medische hulp, of jeugdzorg, daar is zij er voor de hele mens, wat de nood ook is. Zij komt met lege handen en dat is ook meteen het kostbaarste wat ze te bieden heeft: het gaat om die ander, die zij ziet, om wie ze zich bekommert, en die ze daarin laat zien dat het bestaat: een mens die verlichting geeft en hoop. Zo iets van God kunnen laten zien, staat of valt met dat een ander je ontvangen wil. En dat gebeurt pas als we op weg gaan naar een ander toe. Ons zo durven laten uitzenden.
 
4. Wat Heleen doet en wat zij op haar weg vindt, dat is vaak heftig, dat zult u begrijpen. Armoede, schulden, ziekte, stoornissen, discriminatie, uitbuiting en criminaliteit, het zijn de demonen van onze tijd. En ook zij moet soms het stof van haar schoenen slaan, als haar geen welkom wordt geboden.
Het lijkt niet velen gegeven om te kunnen, wat zij doet. En tegelijk is het ons allemaal gegeven.
‘Om niet hebben jullie ontvangen, om niet moeten jullie geven!’, zegt Jezus. Want dat is toch wat het Woord van God ons te zeggen heeft, dat mensen heel kunnen worden als iemand naar hen luistert, dat mensen op kunnen staan uit mismoedigheid als we hen de hand reiken, dat mensen het als een wonder kunnen ervaren als iemand voor hen doet, wat niemand eerder voor hen deed. Dat is hoe Jezus waar maakte wie God is: Ik zal er zijn voor jou.
 
Maar wacht even, betekent dat dat wij dus zieken genezen, doden opwekken en demonen uitdrijven? We kunnen er allicht een begin mee maken, door niet weg te blijven, maar door op weg te gaan, en wie ons ontvangen wil niet in de steek te laten. Door de hele mens te zien.
Zoals velen in deze stad en in deze kerk ook doen. Door er te zijn voor een ander.
 
5. ‘De oogst is groot’ zegt Jezus doelend op al die mensen om wie Hij bewogen is, die wachten tot iemand hen binnenhaalt. Ik zeg binnenhalen ja, waarbij ik niet bedoel mensen binnenhalen als in zieltjes winnen, maar zoals ik ergens las, binnenhalen als ‘Iemand laten gebeuren in mij’.
 
Dat is wat ik hoop dat met onze uitzending gebeurt. Met onze uitzending na de zegen en met de uitzending van deze dienst. Dat we geven om niet en te gast durven zijn bij een ander en zo het goede van God kunnen delen.
 
Sinds de kerken alleen online kerkdiensten hebben, blijkt dat veel meer mensen afstemmen op een online kerkdienst, dan dat er voor corona naar de kerk kwamen. Je kunt zeggen: als mensen je in hun eigen huis kunnen ontvangen, dan word je op waarde geschat.
Ik hoop dat dit ook een aanmoediging is voor de kerk en kerkgangers om naar buiten te blijven gaan. Dat het ons het vertrouwen geeft dat we kunnen delen wat we hebben ontvangen. En dat we onthouden dat we ins ons onthand zijn, zoals in deze coronatijd nu we alle vaste gang van zaken moeten loslaten, dat we dan blijkbaar veel voor een ander kunnen betekenen.

De oogst is groter dan we wellicht dachten. Genoeg mensen blijken te zitten wachten op de goede boodschap, verlangen ernaar iets te horen van God en genezen te worden van moedeloosheid. Dit is de tijd om te ontdekken wat de waarde is van wat wij ‘Om niet hebben ontvangen, en om niet moeten geven’.
Zelf denk ik aan het vermogen om nabij te kunnen zijn.
En ook aan de waarde van lege handen.
Lege handen, om te ontvangen en te geven, dat is eigenlijk het enige dat we nodig hebben als we Jezus’ weg volgen in deze wereld. Dat moet te doen zijn, toch?

Amen.

31 mei

Overweging Pinksterviering 31 mei 2020 van Oranjekerk, Thomaskerk en Willem de Zwijgerkerk door ds. Jantine Heuvelink.

Schriftlezingen: Exodus 24 en Johannes 14: 23 - 29

 

Inleiding met gezongen gebed lied 333 ‘Kom Geest van God’

Vijftig dagen na Pasen is het vandaag. Pentacosta, Pinksteren. Voor mij, en misschien ook voor u, voelt Pasen als heel lang geleden. Toen had corona nog maar net het leven plat gelegd. Ik herinner me het zoeken naar hoe nu verder en de vraag wat staat ons nog meer te wachten en hoe lang gaat dit nog duren? Vragen die ook aansloten op de lezingen.

Op Paasmorgen lazen we hoe Maria bij het lege graf staat en huilt, maar dan ineens bij haar naam geroepen wordt en later kan zeggen ‘Ik heb de Heer gezien!’.

Vergelijkbaar en ook heel anders lazen we hoe het bevrijde volk Israël doodsbenauwd bij de Schelfzee staat en dan ziet dat de zee in tweeën splijt en zij door de dood heen kan gaan.

Dat was Pasen, doorgang door de dood. Hoe ging het verder?

 

We volgden de afgelopen weken het volk Israël op de voet. En hoorden over die tocht door de woestijn, over leren vertrouwen op God die bevrijdt, en telkens weer die twijfel en angst die opkomt.

Vandaag horen we Exodus 24 waarin God met zijn volk een verbond sluit. Je zou kunnen zeggen: hier waren de Israëlieten al die tijd naar op weg en ook hier was God al die tijd op uit. Om te komen tot dit verbond waarin Gods woorden die bevrijden, ontvangen worden door het volk dat zegt: ‘al de woorden die de Ene heeft gesproken zullen we doen!’.

De berg Sinaï waar God die tien woorden geeft, is een heilige plaats, daar blijft het volk op gepaste afstand, zoals God gezegd heeft, want wie te dichtbij komt, zal sterven. (Ex 19)

Mozes bouwt onderaan de berg een altaar en bezegelt het verbond tussen God en mensen met bloed als teken van leven. 12 stenen richt hij daarbij op, als teken van verbondenheid tussen God en de 12 stammen van Israel, die daarmee ook onderling verbonden zijn in die Ene. Daarna gaan de 70 oudsten van het volk met Mozes en de zijnen de berg van God op en aanschouwen God en houden een maaltijd en zij besterven het niet.

Hoogtepunten zijn er te over in dit verhaal van die berg die Mozes steeds verder beklimt, waar de Eeuwige verschijnt zo geheel en al dat maar een stukje daarvan te overzien is en waar de woorden van God over en weer gegeven en ontvangen worden.

Met die woorden zal het verdergaan. In een ark, een verbondskist, komen de platen met die Tien Woorden te liggen, en zo zal God met het volk meegaan. 

 

We lezen vandaag ook uit het evangelie van Johannes en horen hoe Jezus vlak voor zijn dood tegen zijn leerlingen zegt: ‘als iemand mij liefheeft zal hij mijn woord bewaren, en mijn Vader zal hem liefhebben en wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem maken’.

God Die woont op de berg in een wolk, verblijft evenzo in de heilige woorden en in mensen.

Laten we daarom voor het horen van deze woorden, biddend zingen: ‘Kom, Geest van God’.

 

Overweging

1. ‘Maar wat is dat dan ‘Pinksteren’?’, vraagt Maaike.

En haar moeder zucht, want ze heeft het al een paar keer uitgelegd.

Maaike zegt: ‘Met Kerst is er een stal met een baby Jezus, met Pasen is er een palmpaasstok, met een kruis en met paaseitjes. Maar wat is er nu met Pinksteren? Vroeger waren er wel eens ballonnen in de kerk, of gingen we bellen blazen, maar vandaag is dat er niet. Ik zie helemaal niet aan vandaag, dat het Pinksteren is!’.

Dan heeft de mama van Maaike een idee. ‘Dat is het precies’, zegt ze. ‘Pinksteren is er niet als je het niet zelf mee-maakt! Wil je het mee-maken?’

Maaike knikt ‘ja’. Jullie ook? Oké, daar gaan we:

Wapper met een blaadje – Ah, een lekker koel windje!

Wrijf in je handen - Ah, daar krijg ik het warm van!

Knip met je vingers – dat lijkt wel een knisperend vuurtje!

En wees nu eens heel stil…, wat hoor je? Alleen je eigen adem?

Dat is nou Pinksteren!

2. Maak Pinksteren mee.

Wat de zeventig daar meemaken boven op de berg, dat zij God zien, dat gaat ons voorstellingsvermogen te boven. En niet alleen dat van ons, want ook zij die het meemaken komen in hun beschrijving niet verder dan de glimp die ze opvingen van het plaveisel van onder de voeten van God.

Pinksteren is het feest van de Geest, van God die voor mensen verstaanbaar is en over Wie je tegelijk slechts bij benadering, in beelden en symbolen, kunt spreken. Gods verschijning op de Sinaï gaat gepaard met donder en bliksem, een wolk en vuur. En ook met een stem, een woord en eten. God is heilig en op afstand, maar ook dichtbij en benaderbaar.

 

Met het Pinksterverhaal uit Handelingen 2 in ons achterhoofd valt het vuur op de top van de berg op – u weet wellicht dat ook op de hoofden van de leerlingen van Jezus vuur verschijnt als zij 50 dagen na Pasen bij elkaar zitten in Jeruzalem om het Pinksterfeest te vieren, het feest van de ontvangst van de Torah, het woord van God. Dan gaat het waaien in huis en verschijnen er vlammen op ieder van hen.

En wat ook opvalt zijn die 70 oudsten die met Mozes mee de berg op mogen trekken. Zeventig is in de Bijbel het getal van de volken. Met deze zeventig die God ontmoeten is gezegd dat de woorden van God en het verbond dat de Eeuwige met het volk Israël sluit, alle volken op het oog heeft. Als de leerlingen van Jezus het Pinksterfeest vieren in Jeruzalem en vervuld worden van de Heilige Geest en spreken in vreemde talen dan staat er dat Joden uit ieder volk op aarde hun kunnen verstaan. De hele wereld gaat dit Godsgebeuren aan. Dat zegt Jezus ook tegen zijn leerlingen als Hij hen uitzendt: 

‘Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb’. (Matt 28: 19-20)

 

3. Iedereen kan dus Pinksteren meemaken, iedereen kan iets bevatten van God. Maar hoe?

‘Wie mij liefheeft zal mijn woord bewaren, en dat woord is niet van mij maar van mijn Vader’, zegt Jezus. Dat woord dat zijn de verbondswoorden van God, de tien woorden, die God gegeven heeft op de Sinaï. Wat dat woord ‘bewaren’ inhoudt, dat is mooi af te lezen aan wat het volk antwoordt als Mozes hen de woorden voorleest. Zij antwoorden: ‘al wat de Ene heeft gesproken, zullen we doen en willen we horen!’ Dat is natuurlijk een aparte volgorde, eerst doen en dan horen, en u begrijpt, dat staat er niet zomaar. Uit die volgorde van doen en horen blijkt dat die beide elkaar moeten afwisselen. De woorden van God heb je te doen, maar in je daden blijft het van belang af te blijven stemmen op dat Woord. Pinksteren meemaken, de Geest laten waaien, dat betekent niet vastzitten aan het woord, of volledig opgaan in het doen en ervaren, maar het betekent heen en weer willen gaan tussen beide. Het is bij alles wat je doet telkens weer voor ogen houden wat God gezegd heeft hoe het zal zijn, en daarnaar willen leven.

 

4. Want om leven gaat het. Leven in vrede. Daar wijst Jezus op, daar is het God om te doen.

Daarom sterven diegenen die met Mozes de heilige berg van God opgaan en God zien níét, in tegenstelling tot wat God eerder heeft aangekondigd.

God is overweldigend en voor het volk Israël enkel te zien als een verterend vuur op de top van de berg. Maar de Eeuwige is niet uit op vernietiging. De Eeuwige is uit op leven.

 

Mozes klimt dan ook verder omhoog.

En wij, wat doen wij?

Misschien gaan we Pinksteren wel meemaken en iets verstaan van God.

In onze ontmoetingen met een ander vandaag, op afstand of nabij.

In wat ons te doen staat.

In woorden of beelden.

Of in zomaar een windvlaag.

 

Amen

 

 


17 mei

Opmaatverhaal en overweging zondag 17 mei 2020 Oranjekerk Amsterdam ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Exodus 20: 1-21

 

Verhaal ‘Geheim’ verteld ter opmaat van de online kerkdienst 17 mei 2020

Wat is dat? Voorin de klas op de tafel staat een doos. Of eigenlijk is het een kist, of meer een kistje. Het ziet eruit als van hout, of is het van steen? Hij is heel donker bruin, bijna zwart en met allemaal patroontjes erin. En het kistje heeft een gouden slot, en gouden scharnieren. Wow.

Alle kinderen staan op een afstandje te kijken naar het kistje. Op een afstandje ja, want naast het kistje staat een bordje ‘niet aankomen!’.

‘Dat betekent dat je op anderhalve meter afstand moet blijven staan’, zegt Milou beslist.

Nou ja, dat nemen de andere kinderen dan maar even van haar aan.

Mmf, het kistje ruikt apart, een beetje oud of zo.

Eindelijk, daar is meester Bart.

‘Meester Bart!’, zeggen de kinderen, ‘wat is dat voor kistje?’

Meester Bart loopt naar de tafel toe en zegt ‘Dit kistje bewaart een geheim’.

Echt? Alle kinderen kijken van meester Bart naar het kistje. Oh…

‘Willen jullie weten wat er in zit?’, vraagt meester Bart.

Ja, natuurlijk willen ze dat! Iedereen is supernieuwsgierig.

Wat niemand verwacht is dat meester Bart het kistje zo open kan maken, zonder sleutel. Het zit niet eens op slot! En wat al helemaal niemand verwacht, is wat ze vervolgens zien: namelijk een leeg kistje…

Wat? Is het kistje leeg?

‘Nee’, zegt meester Bart, ‘het kistje is niet leeg, kijk eens goed’.

Ah, nu zien ze het: op de bodem van het kistje ligt een kaart. Meester Bart laat de kaart zien, het is een ansichtkaart.

Op de voorkant van de kaart staat een berg – en op de achterkant van de kaart staat een tekst.

Het zijn zoveel woorden, die kunnen de kinderen niet 1-2-3 lezen.

‘Is dit het geheim?’, vraagt Anouk.

‘Ja’, zegt meester Bart, ‘of, nou eigenlijk, dit, - en hij wijst op de berg op de voorkant van de kaart -, dit is de plek waar ik een keer iets van het geheim heb ontdekt. En dit, - hij wijst op de tekst op de andere kant van de kaart-, dit zijn woorden die mij iets over dat geheim vertellen’.

Huh, de kinderen kijken naar de berg en de woorden en ze denken allemaal wat alleen Freek hardop durft te zeggen: ‘welk geheim?’.

Meester Bart kijkt alle kinderen aan en zegt dan, een beetje plechtig zelfs: ‘Het geheim van waar het allemaal om gaat in dit leven, het geheim van God, van de liefde, van ons bestaan. In die woorden en op die berg heb ik daar iets van ontdekt. Snappen jullie dat?’

Nee daar snappen de kinderen helemaal niets van.

Zit dat waar het om gaat in het leven als geheim in een kistje? Kun je daarvan iets vinden op een berg en in woorden?

Dat is toch niet begrijpen, wat meester Bart zegt? Of snap jij het wel?

 

 

Overweging

1. Lieve gemeente,

 

Als de dood zijn de Israëlieten, voor die overmacht waarmee God tot hen spreekt.

‘Wees niet bang’, zegt Mozes, want angst voor deze God is niet nodig, maar ontzag des te meer.

 

Als je de tien geboden leest, als Bijbeltekst, maar zeker ook in bewerkingen zoals de interviewserie in dagblad Trouw, dan ontgaat je, of in ieder geval ontgaat mij, deze situatie waarin die woorden voor het eerst klinken.

De tien geboden komen zo vaak in hun toepassing of discussie daarover voor, dat het lijkt alsof dat de belangrijkste houding is die je ten opzichte van deze tekst, de geboden moet aannemen: de houding van een kritisch blik, of van gehoorzame onderwerping, of ergens daar tussenin. Allemaal vanuit de vraag: wat kan of moet ik hiermee in mijn leven?

 

Als je doorleest in Exodus dan ontdek je dat de Israëlieten bij het horen van de woorden, niet reageren op die woorden maar op de aanwezigheid van God zelf als Hij die woorden spreekt.

Zoals God hun overkomt daar bij die berg, dat is ontzagwekkend. Ze deinzen ervoor terug en hebben liever met Mozes van doen. Dit is namelijk too much, God is ze te machtig.

 

Die ervaring, van overweldigd worden door God, die ervaring heb ik nou nooit gehad bij het horen van de tien geboden. En dat, ontdek ik nu, is een gemis.

Want die ervaring van ontzag voor God, die hoort bij het horen van deze tien woorden.

De woorden die God spreekt, zeggen allereerst iets over wie God is, in plaats van over wat wij mensen zouden moeten doen.

Dat de woorden om God gaan, dat idee gaat vaak in de discussie verloren. We zeggen ‘wat moet ik hiermee?’, terwijl het beter is te vragen: ‘Wie zégt dit eigenlijk?’.

 

2. God begint zijn woorden met: 2‘Ik ben de HEER, uw God, die u uit ​Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd’.

De relatie gaat voorop. God en zijn volk, die hebben wat met elkaar – een geschiedenis, een verhouding. En, heel belangrijk, een toekomst.

En hoe die toekomst eruit zal zien, licht op in deze woorden.

 

Stel je voor: er zullen geen andere goden zijn, er is respect voor ieders afkomst, mensen gunnen elkaar een dag om te rusten, je hoeft niet te vrezen voor je leven, je kunt een ander vertrouwen.

 

Van de theoloog Rochus Zuurmond (Boek: ‘God en de Moraal’) leerde ik dat de Statenvertaling met de formulering ‘Gij zult’ dichterbij de oorspronkelijke tekst komt dan de vertaling die wij lezen. Want, zegt Zuurmond, er staat geen gebiedende, bevelende wijs, maar er staat een toekomende vorm bij alle geboden.

Dus in plaats van ‘vereer geen andere goden’, dat mag niet, staat er ‘gij zult geen andere goden vereren’, als in ‘dat zul je niet doen als je bedenkt wie jij en ik voor elkaar zijn, ik ben jouw bevrijdende God’.

 

Alle geboden zijn gericht op het mogelijk maken van een toekomst waar we naar op weg zijn waarin we leven met God.

Het zijn toézeggingen dat het zo zal gaan als we gaan leven met deze God.    

Welke God?

De God die zijn volk bevrijdt uit verdrukking en leidt naar vrede.

 

Volgens een oud rabbijns commentaar zou je deze woorden boven elk gebod moeten herhalen. Dus bijvoorbeeld ‘Ik ben de Eeuwige, je God, die je uit Egypte, uit de slavernij hebt bevrijd, dus stelen zul je niet doen als je mij in ere houdt’.

 

3. Het natuurgeweld op de berg dat los kwam bij het spreken van God was ontzagwekkend, evenals de woorden waarin God zich laat kennen. Maar de kern van wat hier gebeurt, het geheim van deze ontmoeting van het volk Israël met God, lijkt me toch te zitten in een hele nieuwe wereld die hiermee opengaat. Een perspectief op wat kan, wat mogelijk is, in dit leven met God. Met deze woorden van God, of eigenlijk binnen de praktijk die de woorden schetsen, ontstaat ruimte om vrij te zijn, om te leven, om lief te hebben.     

De heiligheid van God, die maakt dat de Israëlieten afstand tot de berg van God moeten bewaren, die heiligheid bevat een geheim dat iedereen mag weten. Nee, we kunnen God niet benaderen, maar ja, God laat zich vinden in deze woorden en in wat die woorden mogelijk maken in dit leven.

Een ongekende toekomst lonkt, de weg ernaar toe is beschreven als een exodus, een uitweg uit de wereld van macht en bot geweld, om zo het goede leven te bewaren.

 

Dat is wat de tien woorden ons bieden – een ongekende bemoediging: zo kan het ook! De woorden zijn een opdracht en een belofte: eens zul je, geloof het maar, komen in een land waar de leugen niet heerst, de dood niet regeert, waar ouders en kinderen, vrijen en slaven, mensen en dieren in vrede samenwonen. Eens zul je dat beleven en onderweg zul je er al naar handelen. Echt!


God allemachtig – het zal je maar gezegd worden.

Amen.




10 mei

Ds. Piet Kooiman

Cantate (Zing!)

Schriftlezing: Exodus 19 : 1 – 13


Lieve mensen in de Oranjekerk, maar vandaag niet minder u / jij die thuis of waar dan ook met ons bent.

Onderweg zijn. Dan ergens iets meemaken dat een onuitwisbare indruk maakt. Een ontmoeting die je nooit meer zult vergeten. Op een plek die in je geheugen gegrift blijft. Dat kan een persoonlijke ervaring zijn die je je leven lang meeneemt. In het verhaal van deze morgen gebeurt dat een heel volk. Deze morgen is de voorbode van het klinken van de Tien Woorden. Woorden die nu nog klinken. Fundament van echt leven als mens en medemens. Van samen-leven.

Het meest krachtige beeld van dit bijbelgedeelte is dat van de Adelaar die zijn jong leert vliegen. Het beeld dat zojuist welluidend is bezongen. Het jong mag op zijn rug. Stel je dat jong voor op de rug van vader of moeder (misschien juist van moeder omdat het vandaag Moederdag is). Hoog zweeft het boven de aarde en ziet vergezichten waarvan een mens alleen maar kan dromen. Maar dan ineens duikt de ouder weg en moet het jong het zelf doen: vliegen. Nog nooit gedaan en nu ineens. Kan ik het wel? Vleugels weid maar het lukt nog niet. Een tomeloze val. Maar dan ineens zijn daar de vleugels van moeder die je opvangt. Je bent veilig. Even. Maar dan opnieuw opgeworpen, vleugels wijd en vliegen. Het lukt!

In de afgelopen week heb ik via WhatsApp een paar filmpjes gezien van mijn kleinzoon Felix, 16 maanden oud, die sinds een paar weken kan lopen. Wat geweldig om zijn plezier te zien als het lukt om te stappen, te lopen. En het groeiende zelfvertrouwen.

Gedragen als op adelaarsvleugels. Zo typeert de Eeuwige de zorgzame kracht waarmee hij Israël heeft bevrijd uit de slavernij. Ook onze samenleving heeft behoefte aan zorgzame kracht, juist in deze corona periode. En ik denk dat we die ook ervaren in de inzet van zoveel mensen in de zorg voor zieken, maar ook gewoon in de buurt of in de wijk waar mensen elkaar helpen en tot steun zijn.

Israël is bevrijd uit de slavernij. Mozes was hun leider, maar in alle beslissende gebeurtenissen had de Eeuwige de regie. Zo liepen ze door de Schelfzee alsof er geen water was. Maar toen ze er doorheen waren werd de zee weer zee waarin de vijand ten onder ging. Ze hoefden er zelf niets voor te doen. Ze werden a.h.w. gedragen.

Maar nu zijn ze in de woestijn. Niets om je aan vast te houden. Op weg naar een nieuwe en per definitie onzekere toekomst. God laat hen niet in de steek maar laat wel weten dat ze nu zelf de regie in handen moeten nemen. Zelf vliegen. En de Eeuwige vertrouwt hen dat toe. Daartoe deze Tien Woorden.

Hoe dat dan moet? De Eeuwige zelf zal hun zijn woorden geven die alles zeggen over de kunst van het vliegen: De Tien Woorden. Ze moeten die zelf in praktijk brengen. En als ze dat doen dan wordt het vergezicht wáár dat hun land een land van belofte is. Met melk en honing om van te leven. Met recht en vrede, liefde en trouw die dat leven kenmerken als goed.

In Exodus staat het nog weer anders. De Ene zegt hun toe: als je je deze woorden eigen maakt en er uit leeft, dan zul je een koninkrijk van priesters zijn, een heilig volk.
Een koninkrijk van priesters. Dat betekent dat in Israël iedereen priester is. Luther zal daaraan gedacht hebben toen hij sprak over het priesterschap van alle gelovigen. Maar priesters zijn toch een bijzondere groep die zich onderscheidt van het gewone volk? Dat kan niet als iedereen priester is. Hoe dan nu?

De priester bidt voor het volk. Hij komt op voor de ander. Het ideaal van een koninkrijk van priesters is dat iedereen dat doet. En zo is dat lijkt mij ook bij het priesterschap van alle gelovigen. Een mooie uiting daarvan is het gebed van de gemeente. Daarin bidden we samen voor anderen. Voor jezelf mag natuurlijk ook. Maar de ander ontbreekt haast nooit in een gebed. En omdat de kerkdienst ook een oefening is, een godsdienst-oefening, werkt dit opkomen voor de ander door in de praktijk van alle dag. Iedereen priester, ook door de week.

Het volk wordt dan ook ‘een heilige natie’ genoemd.
Daarin is heiligheid niet voorbehouden aan enkelingen die zich van de rest onderscheiden. Het geldt iedereen. Heiligheid is geen prestatie maar typeert een houding die ruimte laat voor de Ander / de ander, de bereidheid om te luisteren, openheid die een echte ontmoeting mogelijk maakt.

Paulus kende dit concept vast ook. Hij noemt de gelovigen ‘heiligen’. Allemaal. Niet de enkelingen die iets bijzonders presteren. Maar ieder die alleen al door te geloven boven zichzelf uitwijst.

Lieve mensen, ik ben vanmorgen ingegaan op wat ik als het meest kernachtige in deze schriftlezing zie: Dat God ons draagt en tegelijkertijd de opdracht geeft om elkaar te dragen, te steunen, te helpen waar het nodig is. Daarin, zou Jezus zeggen, dien je God.

Alles kan vanmorgen niet aan de orde komen. De lastige tekst over de doodstraf voor ieder die zich op de berg van God zou wagen heb ik niet besproken. Het is een struikeltekst waar ik niet zo goed weg mee weet.
Een enkele opmerking toch daarover. Blijkbaar wil de schrijver ons op het hart drukken dat er in de ontmoeting met de Eeuwige veel op het spel staat, zo niet alles. Daar kun je eigenlijk niet slordig mee omgaan. God liefhebben en je naaste als jezelf is geen hobby maar het vereist eerbied en toewijding.

Toen Mozes bij de brandende braamstruik die niet verbrandde ging kijken wat daar aan de hand was hoorde hij zeggen: Doe je schoenen van je voeten want je staat op heilig grond.

Daar is ruimte nodig voor de Ander en eerbied, zoals ook in óns leven ruimte voor de ander en eerbied, essentieel zijn. De Eeuwige maakt ons verantwoordelijk voor de ander. Daarom moeten we onze vleugels uitslaan. Het mag beginnen met fladderen en eerste stapjes. Dan kunnen we er plezier in krijgen en zelfvertrouwen. Zelfvertrouwen dat tegelijkertijd weet van het vertrouwen dat de Ander ons schenkt.

Moge dat zo zijn. In de Naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest.

3 mei

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing: Exodus 17: 8-16

 

Inleiding op de Schriftlezing

We lezen door in het boek Exodus. Het volk Israël is bevrijd van de slavernij in Egypte, ontkomen door de Schelfzee en verblijft nu in de woestijn. Daar leert het met pijn en moeite en met vallen en opstaan, om volgens de regels van God te leven, in vrijheid en in vertrouwen op God. Telkens opnieuw wordt het volk op de proef gesteld. Twee weken geleden hoorden we hoe de Israëlieten toen ze honger kregen, zich gingen afvragen of ze niet beter af waren toen ze slaaf waren in Egypte. Vorige week hoorden we dat ze dorst kregen en Mozes het verwijt maakten: ‘Heb je ons vanuit Egypte hier gebracht om ons en onze kinderen van dorst te laten sterven?’.

Bevrijd als ze zijn, herkennen en vertrouwen ze hun Bevrijder nog niet.

Maar God geeft manna om te eten en God laat Mozes op de rots slaan, waar water uitstroomt. Zo voorziet God telkens in wat het volk nodig heeft.

En dan gaat het verhaal verder, op diezelfde plek Refidim, waar geen water was, volgt nu een nog grotere beproeving. Amalek komt, de vijand. Deze tegenstander van Israël slaat toe op die plek Refidim, wat letterlijk betekent ‘slappe handen’ en wat daarmee staat voor zoiets als ‘de moed verliezen’.

Wat is er nodig voor Israel om niet verslagen te worden door Amalek?

Wat kan slappe handen en verzwakt vertrouwen sterk maken?

Mozes maakt het zichtbaar, hij houdt in zijn hand de staf van God en houdt die omhoog.

God hooghouden, daar gaat het om, in de lezing van vandaag, in heel de Bijbel en ook in ons leven. 

 

Overweging

1. Lieve gemeente,

Dat het 6e couplet van het Wilhelmus zo aansluit op de Exoduslezing van vandaag, dat vind ik mooi. 

Omgekeerd vind ik het elk jaar ontroerend om bij de dodenherdenking op 4 mei juist dit 6e couplet van het Wilhelmus openbaar op straat te zingen. Uniek is het toch dat een gezongen geloofsbelijdenis dan zo een vanzelfsprekend onderdeel is van wat een hele samenleving bijeenbrengt en samen herdenkt en beleeft. 

Van de overwinning op Amalek staat dat die opgeschreven en herdacht moet worden. Dat doet denken aan ons herdenken en vieren van 4 en 5 mei. ‘Opdat we niet vergeten’. De strijd tegen Amalek laat zich ook op andere punten vergelijken met wat wij gedenken op 4/5 mei. Sterker nog, er zijn bijbeluitleggers die de strijd tegen het fascisme, een strijd tegen de Amalek in onze tijd noemen.

Want Amalek is in de Bijbel niet zomaar een vijand. Amalek is dé vijand van het volk Israel, van God. En dat komt omdat Amalek in de Bijbel niet zozeer een volk is, als wel de verbeelding van een ideologie. ‘Amalek’ staat voor het recht van de sterkste, voor goddeloosheid. Amalek belichaamt het onrecht in de wereld. Waar Amalek in de Bijbel ter sprake komt, is altijd lafheid in het spel. Amalek valt van achteren aan, daar waar je het zwakst bent. Amalek gebruikt laf geweld tegen wie zich niet kan verweren, de zieken, de ouderen en de moeders met kinderen die achteraan gaan. (Deuteronomium 25: 17-19)

De God van Israël staat voor omzien naar elkaar en opkomen voor wie kwetsbaar is. Amalek staat voor eigen belang. Zoals gezegd, het zijn twee verschillende ideologieën. En ook wel twee neigingen in ieder mens.

Het is ook niet zomaar dat op dit punt in Exodus na de honger en de dorst Amalek om de hoek komt kijken. Juist in dit moment van zwakte, van interne strijd en onvrede, heeft Amalek kans om het volk Israel te verslaan. Amalek vaart er wel bij als mensen vooral om zichzelf bezorgd zijn en niet samen sterk staan. Op die plek Refidim, waar de handen en harten van de Israelieten zwak zijn, daar valt Amalek aan.

Net als ook fascisme, het anderen minderwaardig noemen en uitsluiten en onrecht goed praten, het meest aanslaat wanneer mensen zich in het nauw gedreven voelen en onzeker zijn.

En zo komt het dat wanneer Amalek vandaag verslagen wordt er toch ook volgende generaties opnieuw strijd moeten leveren met Amalek. Amalek is de zwakte in elk mens, in elk volk. Amalek weerspreekt de kostbaarheid en het bestaansrecht van ieder mens. Amalek wil van het opkomen voor de weduwe, de wees en de vreemdeling niets weten en is daarin de tegenstander van God. Elke generatie opnieuw steekt hij de kop weer op.

2. Wat staat ons te doen als Amalek komt?

Mozes gaat aan kop, hij neemt de staf, de maatstaf van God in de hand. Dat is waar het volk Israel het van moet hebben. Mozes houdt de staf hoog, hij maakt zijn handen sterk. En zo heeft Israel in de strijd met Amalek de overhand.

Maar ook Mozes is maar een mens. Ook hij wordt overvallen door vermoeidheid en twijfel. Om alleen die staf hoog te houden gaat niet. Maar het hoeft ook niet. Aaron en Hur ondersteunen hem met een steen en met hun armen. En zo verslaat Jozua het leger van Amalek.

Met het zwaard én met vertrouwen op God.

Mijn schild ende betrouwen zijt Gij, o God, mijn Heer, op u zo wil ik bouwen.

Mozes bouwt een altaar en noemt het ‘De Heer is mijn banier’.

God hooghouden als het er op aan komt. Niet in een moment van zwakte je laten overwinnen door Amalek, door je af te sluiten voor een ander, enkel rekening te houden met jezelf, je verliezen is wantrouwen jegens een ander en vijanddenken.

Nee, Mozes houdt het de Israëlieten voor: vertrouw op God.

En zelf houdt hij het vol dat voor te houden doordat hij ondersteund wordt. Zijn armen behouden hun kracht, doordat anderen ze ondersteunen. Zijn hart houdt moed, want hij staat daar tegenover die strijd met Amalek niet alleen.

God staat aan zijn kant. Dat moet Mozes ook opschrijven voor Jozua en alle anderen: God strijdt tegen Amalek. De strijd die de Israëlieten strijden tégen Amalek is de strijd vóór God die elke generatie moet voeren. Amalek zal terug blijven komen, wees daarop bedacht en wees er tegelijkertijd van overtuigd: Amalek heeft géén recht van bestaan, geen toekomst.

Dus vertrouw op God, laat daar je kracht vandaan komen, je moed. 

‘De Heer is mijn banier’, zo zei Mozes het.

De vlag op onze kerk zegt het zo: ‘Houd moed, heb lief’.              

Amen.