Palmzondag 14 april

Overweging palm- en passiezondag 14 april 2019 Oranjekerk Amsterdam ds. Jantine Heuvelink

Lezingen: Lucas 19: 29-40 en Lucas 23: 33-43

 

Inleiding op Palm- en Passiezondag

Deze zondag heeft twee namen, Palmzondag en Passiezondag, en ook twee sferen: opgetogen en ingetogen. De feestelijkheid van Palmzondag hebben we al ervaren met de intocht van de kinderen. Dat is de opmaat van deze week van Pasen die ook wel Stille Week of Goede Week wordt genoemd.

 

De naam Passiezondag verwijst naar wat er in de rest van deze week zal komen. De passie, letterlijk lijden, het lijdensverhaal. Op Witte Donderdag en Goede Vrijdag lezen we het hele lijdensverhaal uit Lucas. Op Witte Donderdag horen we over het laatste Avondmaal van Jezus met zijn leerlingen en over het verraad van één van hen, Judas. Op Goede Vrijdag horen we hoe Jezus gevangen wordt genomen en alle leerlingen hem afvallen, en over Jezus’ vernedering, zijn kruisiging, dood en graflegging. In de Paasnacht horen we tot slot over het graf dat niet gesloten blijft.

 

Vandaag op deze Palm- en Passiezondag staat in het tweede deel van de dienst het hele passieverhaal centraal. Vroeger en nog wel in sommige kerken wordt het hele lijdensevangelie in deze dienst gelezen. Zo is ook de Mattheuspassion voor deze dag gecomponeerd.

 

Hier doen we het vandaag zo: we horen als 1e schriftlezing het verhaal van de intocht van Jezus in Jeruzalem. En we zingen daarbij een vreugdevol lied dat verwijst naar hoe al eeuwen mensen uitkijken naar de komst van een koning zoals Jezus, rechtvaardig en zachtmoedig. We jubelen mee met wie in Jezus deze koning herkennen.

Als 2e schriftlezing horen we enkel een gedeelte uit het lijdensevangelie, namelijk het moment dat Jezus gekruisigd wordt en opnieuw ‘koning’ genoemd wordt, maar dan als vonnis en als spot door wie hem kruisigen. Drie keer wordt de spot met Jezus gedreven. Slechts één iemand verdedigt hem.

Deze lezing beantwoorden we met het zingen van een litanie, een gebed, dat geschreven is bij deze Stille Week en dat ingaat op alle momenten in deze week en waarbij elk couplet eindigt met het gebed: ‘Heer ontferm u’.

 

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

 

Twee weken geleden was ik op zondagmorgen in de Vredeskerk om het 25-jarig priesterjubileum van naaste collega Pierre Valkering mee te vieren. Het was een feestelijke binnenkomst, de kerk was bomvol, er stonden prachtige bloemstukken en de vele voorgangers droegen roze gewaden, want dat was de kleur van de zondag – Laetare – verheug u!

En even later werd ik bang. Heel bang. Dat was toen Pierre zijn boek aankondigde over zijn homoseksualiteit en -relaties. Ik dacht: ‘dit gaat helemaal mis’. In één keer was voor mij de feestelijke sfeer omgeslagen. Ik werd bang dat deze mens, mij dierbaar, ten onder zou gaan aan wat hij over zichzelf afriep. Ik maakte me ongerust. Want niet alleen als hij zou worden verguisd, ook als hij op het schild geheven zou worden als held, zou hij ongelooflijk kwetsbaar zijn.

 

Ik moest eraan denken in de voorbereiding van deze dienst, die totaal uiteenlopende gevoelens van vreugde en van angst om één persoon, van het ene op het andere moment.

 

Jezus wordt enthousiast onthaald in Jeruzalem, ze jubelen, de mensen en ze dichten hem terecht of onterecht de status van koning toe. Wij stemmen daarmee in. Maar dat doen we met angst in ons hart. Want we weten bij Jezus dat niet iedereen zo enthousiast is. De Romeinse overheersers niet. De leiders van het volk niet. En ook niet degenen die vlakbij Jezus staan en denken: wat doe je nou?!

En later, als de spot klinkt bij het kruis, ook om die titel van koning, dan doet dat pijn.

 

2. De namen waarmee Jezus bespot wordt, zijn opvallend: ‘Koning, messias, uitverkorene’ – allemaal namen die kloppen voor wie Jezus is, maar die worden gebruikt als spot, als was het een bespottelijk idee dat zo iemand aan een kruis zou kunnen hangen.

‘Red jezelf dan’ zeggen achtereenvolgens de leiders van het volk, de soldaten en een mede-gekruisigde. Zij redeneren: als Jezus zichzelf niet kan redden, dan kan hij de uitverkorene, de Messias, de koning toch niet zijn?

En ziedaar het ontzettend moeilijke van de kern van het christelijk geloof, de kern van wie Jezus is, wie God is. Een koning op een ezel, een God die lijdt aan het kruis. Het zou toch echt veel eenvoudiger zijn ons geloof aan de man te brengen als Jezus nu op het kruis een wonder zou doen, iets machtigs zou laten zien, iets raaks zou zeggen. Iets zou doen, wat dan ook, dat niet passief, maar daadkrachtig zou zijn. Iets waarmee iedereen die hem toen of nu bespotte, ongelijk bewezen zou krijgen.

 

Zoveel mensen kijken op hem neer, dat je zou willen dat je tegen Jezus op zou kunnen kijken. Dat hij nu op zou staan als held, wonderlijk, machtig! Het kruis als triomfmoment.

 

3. Maar nee. Jezus lijdt aan het kruis. Dat is geen overwinning van God en ook geen overwinning van degenen die hem veroordelen of bespotten. Er is hier géén sprake van winnen of verliezen.

 

We zien dat deze mens, aan het kruis gehangen, het heft niet in eigen handen neemt.

Want het ligt niet in zijn handen, wat er gebeurt. Hij kán zichzelf niet redden.

Zijn naam is immers Jezus en dat betekent: ‘God redt’. Zijn leven ligt niet in de handen van mensen, hij heeft het niet in eigen hand, zijn leven ligt in de handen van God.

 

De machteloosheid van Jezus aan het kruis en het besef dat deze mens zichzelf niet redden kan, confronteren ons met wat geloof niet voor ons kan doen: geloof kan ons niet optillen uit de ellende van ons bestaan, geloof kan niet verzachten wat hard en meedogenloos is in ons leven.

 

Jezus’ lijden laat ons zien hoe God lijdt aan deze wereld. ‘Kunnen jullie niet één uur met mij waken?’, vraagt Jezus zijn leerlingen in de Hof van Getsemane, waar ze in slaap vallen.

Willen wij het weten dat God lijdt? En kunnen we het verduren, met God mee te lijden aan deze wereld?

Jezus laat zien dat menszijn, niet buiten lijden om gaat. En dat dat lijden ook niet buiten God om gaat.

 

Geluk is het, eigenlijk, dat we niet een geloof hebben waarin lijden geen plek heeft. Dat ons geloof er niet om gaat hoe je het meeste kunt genieten, jezelf kunt verbeteren en ‘krachtig in je kwetsbaarheid’ kunt zijn. Ons geloof gaat niet om sterk zijn, om ‘er boven staan’.

Het gaat om mens zijn in deze wereld. Niet afstand nemen tot wat er gebeurt, niet met mooie woorden zeggen dat het wel ergens goed voor zal zijn, dat lijden van mensen, of dat het maar net is hoe je het bekijkt.

Waarlijk mens zijn, is in het leven staan en weten dat wij niet eigenmachtig zijn. 

Kwetsbaarheid is niet krachtig, maar het is wel waar, waarlijk.

Lijden is niet ontroerend, maar het is wel menselijk.

Deze God die mens geworden is en die lijdt, die redt ons niet van onze ellende,

maar die redt ons wel van de illusie dat het leven maakbaar is en in ónze handen ligt.

Deze God staat veel dichter bij ons leven dan we ons kunnen voorstellen.

 

4. Jezus, zijn naam zegt het en hij laat zien dat enkel ‘God redt’. Maar hoe dan?

 

We kunnen daarvoor kijken naar die beide misdadigers.

De ene zegt spottend: ‘Jij bent toch de ​messias? Red jezelf en ons erbij’. Hij kijkt op Jezus neer omdat hij niet tegen hem op kan kijken. Als Jezus niet een krachtpatser, een wonderdoener, of een held is, als Jezus niets voor hem kan betekenen, laat dan maar.

De ander kijkt met andere ogen. Hij ziet in Jezus’ lijden het lijden van God in deze wereld, hier en op al die plekken waar onschuldigen gestraft worden. Hij begrijpt dat deze Messias, deze uitverkorene, deze koning zichzelf niet redden kan, omdat alleen God redt. Hij is de enige die Jezus bij zijn naam noemt. En omdat hij zich tot God wendt, kan Jezus zeggen dat hij gered is ‘heden zul je met mij in het paradijs zijn’.

 

Zo wordt het kruis een keerpunt, de mogelijkheid van een nieuw begin: want God wijkt niet.

God redt het. En zijn koninkrijk begint waar mensen God hooghouden, waarlijk mens zijn.  

 

Deze week van Pasen vraagt ons om dat te willen zien: het lijden van de mens, dat het lijden is van God. En het vraagt ons te geloven dat alleen ontzag voor God, ontzag voor wat het leven leefbaar maakt, ons redden kan. Trouw blijven, de mensen lief hebben, waarheid zoeken.

‘Jezus, denk aan mij wanneer u in uw koninkrijk komt’.

Wij zingen het zo: ‘Neem mij aan zoals ik ben en leef in mij’. 

Amen


17 mrt

2e zondag van de veertigdagentijd

Lezing: Numeri 9 :1-5 en Lucas 22:14-23; 31-34

Ds. Piet Kooiman


‘Ik heb er hevig naar verlangd dit pesachmaal met jullie te eten” Pesach is een feest en het is vooral een maaltijd.

De maaltijd brengt mensen samen. Samen eten betekent een rustpunt en je kunt daarna ook weer verder. Als het goed is kun je er jezelf zijn.

Sommigen van u weten misschien wel dat ik uit een groot gezin kom van elf broers en zussen. Een aantal jaren geleden hebben over onze jeugd met elkaar een boek geschreven met als titel: ‘De tafel van 13’. Dat roept het beeld op van elf kinderen met hun 2 ouders die met elkaar rond de tafel zitten. Dan denk je al gauw aan een maaltijd. Rond de tafel tref je elkaar na een dag waarin iedereen z’n eigen ding doet. Daar worden de verhalen verteld. De broer die de titel van het boek bedacht heeft goed aangevoeld dat samen eten een kernachtig gebeuren is. Een plek van ontmoeting waar het hele leven ter sprake kan komen. Een plek waar je veilig bent. Als het goed is, maar dat is het niet altijd…Aan tafel kan niet alleen respectvol aandacht aan elkaar worden gegeven, je kunt elkaar ook misverstaan of afkatten. En soms kan er iets aan het licht komen dat tot dan toe verborgen was. Ook dat komt in de evangelielezing aan de orde. Maar daarover later.

De verhalen van Marten Toonder over Heer Bommel en Tom Poes eindigen steevast met een door Joost bereide ‘eenvoudige doch voedzame maaltijd’. Het avontuur is voorbij. Men komt tot rust. Maar de lezer weet: het volgende avontuur zal niet lang op zich laten wachten.

In onze stad kun je in talloze restaurants met elkaar uit eten gaan. Maar er worden ook maaltijden georganiseerd om mensen uit een buurt, of mensen met een gedeelde interesse bij elkaar te brengen voor onderlinge ontmoeting.

En als er een jubileum wordt gevierd, dan leent de maaltijd zich daar uitstekend voor. Vieren is ook gedenken. En gedenken geeft betekenis. In diepere zin betekenis aan het leven zelf.

Ook bij de viering van de Eucharistie of het Heilig Avondmaal staat de tafel centraal. Brood en wijn worden er met elkaar gedeeld. Ik weet niet hoe het u vergaat, maar soms overvalt mij bij de viering het sterke gevoel deel uit te maken van een gemeenschap. Natuurlijk, het kan ook in de kerk altijd beter en of je elkaar werkelijk ontmoet, met elkaar deelt wat van belang is in je leven, of voor je geloof, dat spreekt niet vanzelf. Maar in principe kan het. De oude gewoonte elkaar in de gemeente zusters en broeders te noemen stemt daarmee overeen.

Jezus viert Pesach met zijn leerlingen. De Paasmaaltijd die zijn oorsprong heeft in de bevrijding van de slavernij in Egypte. Wij hoorden vanmorgen over de tweede Paasviering één jaar daarna.

Bij Numeri 6: daar gaat het om ‘Pesach in de woestijn’ ter onderscheiding van ‘Pesach in Egypte’. De opdracht bij dat laatste was om het te vieren als ze in het land van belofte zouden zijn gekomen. Door de overtreding met het gouden kalf werd dat verhinderd. Het zou een lange tocht worden; veertig jaar in de woestijn. Maar dat weten ze nog niet. Nu krijgen ze de opdracht het toch te vieren. Onderweg. Na de mislukking met en van het gouden kalf voelt het als een nieuw begin.

Dit Pesach zal niet alleen een herinnering betekenen aan het eerste paasfeest. De viering die voorafging aan de uittocht, de bevrijding uit het slavenbestaan en het land van de dood. Het zal ook een teken zijn van hoop omdat ze worden herinnerd aan de opdracht het te vieren in het land van hun toekomst. Het land van belofte. Dit Paasfeest wijst terug maar ook vooruit.

In de evangelielezing van vandaag horen we dat ook Jezus vooruit kijkt. Niet alleen naar het lijden waarvan hij beseft dat het hem wacht, maar ook naar het aanbreken van Gods koningschap. “Ik zal geen pesachmaal meer eten voordat het zijn vervulling heeft gevonden in het koninkrijk van God.” Het valt hem niet alleen zwaar maar hij is ook vervuld van hoop.

Hij heeft er hevig naar verlangd dit Pesach met hen te eten. Naar dit samen-zijn met zijn leerlingen. Naar de sfeer en het ritueel van de Paasmaaltijd die hem onontkoombaar betrekken bij de bevrijdingsgeschiedenis van zijn volk die gestempeld is door de belofte van Gods trouw. Daaraan houdt hij vast.

Als wij het Avondmaal vieren dan gedenken we Jezus. Gedenken heeft te maken met verleden en heden. Wie gedenkt brengt zich iets te binnen uit het verleden dat voor het heden betekenis heeft, of krijgt.
Bij de viering gaat het bijna als vanzelf ook om de toekomst. En in het bijzonder om de komst van Jezus. Dat spreken we dan ook uit: aranatha! Kom Heer!
Je kunt daarbij bedenken dat zijn komst elk ogenblik te verwachten valt. En dat het dan de vraag is of wij hem herkennen.

Als wij brood en wijn delen met elkaar dan kan het heel goed zijn dat we het bestaan ervaren als een bestaan in de woestijn. Er kan onder de oppervlakte van onze Facebook profielen van alles rommelen en moeilijk zijn. Of verdrietig en teleurstellend. Maar dan toch, zijn daar het brood en de wijn. Het brood dat we als manna uit de hemel met elkaar delen; het brood dat Christus present stelt. Zozeer zelfs dat we kunnen zeggen: het lichaam van Christus, dat zijn wij. En we brengen ons te binnen dat we onderweg zijn totdat Hij komt.

Deze zondag heeft als naam op de kalender van de kerk: Gedenk (in het Latijn: Reminiscere) naar Ps. 25:6 ‘Gedenk uw barmhartigheid Heer, en uw gunstbewijzen, want die zijn van eeuwigheid.’ (NBV  Denk aan uw barmhartigheid, HEER, aan uw liefde door de eeuwen heen.)

Dat gedenken speelt ook een rol bij de eerste viering van het Pascha in Egypte. Mozes zegt dan: Die dag moet voortaan een gedenkdag zijn, die je moet vieren als een feest ter ere van de Eeuwige. (Ex 12:14)

Zo zijn Jezus en zijn 12 leerlingen bijeen. Een soort van kras over deze viering van het Pascha is zijn uitspraak dat één van zijn leerlingen hem zal verraden. En daar komt nog zijn verzekering aan Petrus overheen: Jij zult nog deze nacht driemaal ontkennen dat jij mij kent. Petrus, die vurige leerling blijft niet overeind in de nacht waarin verbondenheid met de Rabbi uit Nazareth levensgevaarlijk kan zijn. Jezus zegt dan ook dat hij zich nog moet bekeren. Maar Petrus weet dat zelf nog niet. Wie zich niet beter voelt dan Petrus zal wel uitkijken zich op de borst te kloppen als een voorbeeldig gelovige. We zijn en blijven leerlingen en dat is ook genoeg.

Lieve gemeente, het thema in deze Veertig dagen op weg naar Pasen in de Oranjekerk is: Een nieuw begin. De bijbel vertelt ons vanmorgen dat een nieuw begin zelfs in de meest barre omstandigheden mogelijk kan zijn. Niet omdat wij zulke veerkrachtige optimisten zijn, maar omdat wij leven met een belofte. De belofte van Gods trouw. Niet alleen als het goed met je gaat. Maar ook en vooral door de diepte heen.

Moge dat zo zijn voor ieder van ons,
in de Naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest

Zingen Lied 23b ‘De Heer is mijn herder’

10 mrt

1e zondag van de veertigdagentijd

Lezing: Lucas 19:45-48

ds. Wielie Elhorst


Gemeente van Jezus Christus,

Misschien was u er vorige week ook bij toen we hier hoorden hoe de profeet Jeremia voor de ogen van zijn stads- en landgenoten een mooie vaas in stukken brak en erbij riep dat het met Jeruzalem ook zo zou vergaan. Verbolgen over de houding van de mensen en van de leiders, kwaad over het gebruik van de tempel, zag hij geen andere mogelijkheid dan hardhandig duidelijk te maken hoe hij tegen de staat der dingen aankeek, in Gods Naam. Met de moed der wanhoop liet hij zien dat de wereld zoals de mensen die kenden: het land, de stad, en ook de tempel, zouden verdwijnen, als zij niet zouden horen wat hij te zeggen had, niet zouden zien wat hij recht voor hun ogen deed. Het mocht allemaal niet baten. De heilige verontwaardiging werd niet herkend en de profeet Jeremia werd afgevoerd. Een kleine zes eeuwen later lijkt de situatie niet veel beter, als we Jezus in Jeruzalem en in de tempel ontmoeten. Nog vóór Hij Jeruzalem binnenrijdt op een ezel huilt Hij over de stad en stelt evenals Jeremia het einde in het vooruitzicht. En als Hij in de tempel is, ontsteekt Hij in woede over wat Hij er aantreft. Hij schreeuwt dat de tempel niets minder is dan een rovershol. Deze woorden zullen niet minder hard aangekomen zijn dan de met geweld in stukken gebroken vaas van Jeremia. De stad en het land, de tempel, het gaat hen aan het hart. Ze snappen niet dat alleen zij lijken te zien wat de mensen te wachten staan en dat dat rechtstreeks verbonden is met hun eigen houding. En dat doet hen wat. Het doet Jezus wat, zozeer dat Hij ontsteekt in heilige verontwaardiging en er op los slaat. Hij keert de tempel om en jaagt de handelaars weg, die onder andere hun geld verdienden met het verkopen van offerdieren. Het beeld is wat ongemakkelijk. Ergens voel je sympathie voor Jezus. Hij is de held. Goed dat Hij een einde maakt aan die misstanden. Dat had al veel eerder moeten gebeuren! We hadden misschien zelfs nog wel een handje willen helpen. Maar aan de andere kant: is dit geweld nou de manier? Wij hebben afgeleerd zo te handelen. Zo breng je geen begrip tot stand. Zo gaan mensen niet naar je luisteren. Zo creëer je alleen maar afstand. En wat kunnen die mensen er nou helemaal aan doen? Zij verdienen gewoon hun geld. Het is natuurlijk hoe dan ook wat ongemakkelijk dat juist Jezus dit doet, dat Hij zich gedraagt als een soort jihadstrijder die zijn woorden slechts met geweld kracht bij kan zetten. Dat is niet de manier waarop nog graag zien dat iemand opkomt voor zijn overtuigingen.

Heilige verontwaardiging. We weten er niet zo goed raad mee. Ergens heeft het een enorme aantrekkingskracht, misschien wel door de emotie waar het mee gepaard gaat, maar ook als we de zuivere intentie er achter kunnen ontwaren. En aan de andere kant stoot het af, vooral als er vanuit die heilige verontwaardiging dan ook nog met een zelfde onverzettelijkheid wordt gehandeld. Het lijkt dan wat rechtlijnig, niet meer open voor andere argumenten of zienswijzen. Wij hebben geleerd dat alles meerdere kanten heeft en dat je moet relativeren. Er is niet één waarheid. Dat Jezus nu juist zó opgevoerd wordt op de eerste zondag van de  veertigdagentijd, een tijd waarin wij Hem zoeken te volgen in een antwoord op de vraag wat dat nieuwe begin betekent dat Hij uiteindelijk tot stand bracht, en wat dat voor gevolgen had voor wie Hij was en wat Hij deed. Het is op z’n minst wat ongemakkelijk.

Misschien helpt het nog eens te kijken naar Jezus’ missie. In Lucas 4 lezen we dat Hij is gekomen om het goede nieuws van het koninkrijk van God te brengen. Dat goede nieuws is een geweldig vergezicht, een ongeëvenaard nieuw begin, omdat het spreekt van heling en vergeving, van vrede en recht, van vrijheid, maar het schuurt eveneens. Het is een rijk dat geen kolonisatie duldt en waar dat wel gebeurt, ontstaat verzet. In het verhaal van vandaag zien we dat bijna letterlijk gebeuren. Het huis van gebed dat de tempel is, dé plek die het zicht op Gods bedoelingen met zijn volk en met de wereld open zou moeten houden, raakt langzaamaan overwoekerd, overmeesterd door de vreemde mogendheid van de handel en van het geld. In zoveel lawaai gaan het zicht op God en zijn rijk verloren. In zoveel drukte is het nauwelijks mogelijk de houding te vinden die de komst van dat rijk in ons leven en in de wereld recht doet. Is het een wonder dat Jezus boos wordt, dat Hij ontbrandt in heilige woede, dat Hem niets anders rest dan heilige verontwaardiging? Jezus’ boodschap van een nieuwe wereld wordt in het hart aangevallen, in de houding van verwachting die in het gebed wordt gezocht, een houding die afstemming zoekt en zich wil overgeven aan dat nieuwe begin, het nieuwe leven, die zich daartoe wil bekeren. En Jezus verzet zich tegen alles wat dat ongedaan probeert te maken.

Dat nieuwe begin dat Jezus verkondigt, het kan in deze wereld misschien niet zonder heilige verontwaardiging?  Geweld hoeft daarvan geen onderdeel te zijn, in die zin neem ik echt afstand van Jezus’ handelen, maar ik neem geen afstand van Jezus’ houding hier. Jezus neemt risico. Het kan niet zo zijn dat het huis dat een voorpost wil zijn van het rijk van God, dat huis dat de Tien Woorden bewaart, die herinneren aan de bevrijding uit een slavenhuis ooit, dat dat huis, die plek, die vrijplaats nu weer overmeesterd raakt door een aan dat rijk, een aan die vrijheid vreemde mogendheid. Om dat te voorkomen neemt Jezus risico, handelt Hij op een wijze die vragen oproept, die wenkbrauwen doet fronzen.

Ik wens ons toe dat we net als Jezus bereid zijn risico te nemen. Zonder dat, zonder die houding, houden we het zicht op zijn boodschap van het nieuwe begin in het rijk van God niet open. Onze wereld is niet anders dan die in Jezus’ dagen. Het rijk van God, het rijk van heling en vergeving, van vrede en recht, van vrijheid, staat nog altijd onder de druk. Het dreigt nog altijd gekoloniseerd te worden door mogendheden die willen verdelen, die zoeken naar macht, die mensen verslaven. Durven wij risico te nemen waar wij zien dat dit rijk, waar dit rijk voor staat, en waar wij ons als inwoners toe rekenen, geweld wordt aangedaan? (…) Jezus’ goede nieuws van het komende Rijk van God valt er niet mee samen, maar ik kan en wil er niet onderuit hier de Klimaatmars van vanmiddag te noemen. Al is meer dan ooit duidelijk dat de leefbaarheid van onze planeet onder druk staat, het gesprek erover wordt omgeven door complotdenken en door cynisme, en iets dergelijks geldt voor de positie van vrouwen waarvoor gisteren nog gemarcheerd werd. Ligt hier het risico dat Jezus ons vraag te nemen? Verbinden gelovigen, christenen zich terecht aan deze onderwerpen. Gaat het niet al te snel te zeggen dat je er als gelovige niet onderuit kunt je in te zetten voor een leefbare wereld en voor gelijkwaardigheid tussen mensen. Dat was toch niet de strekking van Jezus’ boodschap? Christenen zijn het er dan ook niet zomaar over eens. De inzet voor het klimaat wordt door velen, ook christenen, afgewezen, en het streven naar gelijkwaardigheid tussen vrouwen en mannen al helemaal. Maar als dat nieuwe begin van God in Jezus, in de overwinning van het leven op de dood, is wat wij zoeken en waar wij in geloven, dan is dat toch geen boodschap die ergens boven onze wereld blijft hangen, die onze werkelijkheid ongemoeid laat. Dan wil dat leven onze werkelijkheid ook echt bevrijden, dan wil het onze werkelijkheid dekoloniseren en terugwinnen op de vreemde mogendheid van de dood. En dan willen we het risico nemen anderen van ons te vervreemden, voor gekkies verklaard te worden, omdat we ons inzetten voor iets dat ons, dat God aan het hart gaat. Als het nieuwe begin van Gods rijk wordt gevonden in heling en vergeving, in vrede en recht, in vrijheid, dan kunnen wij niet anders dan daarnaar leven en ons verzetten tegen elke kracht die deze nieuwe werkelijkheid wil verhinderen.

De veertigdagentijd is een tijd van oefenen. Om dichtbij Jezus te komen zoeken we wegen in vasten, in aalmoezen en in gebed. Vandaag worden we opgeroepen te oefenen in heilige verontwaardiging. Wat moeten we daarvoor laten? Wat moeten we loslaten? Wat moeten we opgeven? Misschien ontdekken we daar iets van door het gewoon te doen, ons met alle mensen van goede wil te verbinden aan de risicovolle weg naar heling en vergeving, naar vrede en recht, naar vrijheid, bijvoorbeeld door mee te lopen in een klimaatmars. Wat onze heilige verontwaardiging in Gods Naam waard is of betekent vandaag, kunnen we alleen maar ontdekken door ondervinding, in vallen en opstaan, maar niet door niets te doen. De klimaatmars zou zomaar een stukje kunnen zijn van de weg die Jezus gaat. Laten wij er alsjeblieft voor zorgen geen afslag te missen, om niets anders dan het goede nieuws.

Amen

10 feb

Ds. Hanna van Dorssen

Lezing: Ester 5 en 6


Het geschiedde op de derde dag, zo begint de lezing van vandaag. Woorden waarbij je in de Bijbel je oren spitst, want zij betekenen: nú gaat er iets gebeuren, iets dat verschil maakt.

Ester trekt haar koninklijk ambtsgewaad aan, dress to impress, dat doet ze na drie dagen vasten. Ze voelt zich gesterkt door de solidariteit van haar volk en ze gaat ‘staan’, recht tegenover de koning. Ze zet daarbij zondermeer haar leven op het spel. Ester is hier allesbehalve de tegenpool van koningin Wasti, die óók opstond tegen de koning en ‘nee’ zei. Deze twee vrouwen aan het hof strijden allebei voor menselijkheid, voor eerbied bij het omgaan met elkaar.

En dan opnieuw die woorden ‘en het geschiedde’, nú spant het erom, wát zal de koning doen als hij Ester voor zich ziet staan? Is het afgelopen, net als met Wasti? Nee, hij toont zowaar zijn menselijk gezicht. Hij ziet haar staan en reikt haar de gouden scepter aan.

Dat kan ook ons overkomen. Dat er ineens iemand tegenover je staat, iemand die je uit je evenwicht brengt. Die verkoper van de daklozenkrant, die jou vriendelijk gedag zegt bij de uitgang van de Albert Heijn, maar je hebt geen stuiver op zak om de krant te kopen.

Ga je terug naar de kassa om te pinnen? Of die jongen die over Jezus zingt bij het CS en voor je wil bidden… Meestal loop ik dan gehaast en wat schuldig door. Een beetje beschaamd. Zie ik hen wel staan?

Ester zet haar leven op het spel, maar ze speelt zelf ook een uitgekiend spel. Ze heeft zich goed voorbereid en ze voert de spanning op. Mordechai heeft haar gevraagd bij de koning te pleiten voor haar volk. Maar hier in het paleis staat ze er alleen voor. Ze gaat haar eigen weg, daadkrachtig en volgt haar eigen strategie. Ditmaal richt niet de koning, maar de koningin een feestmaal aan, op haar eigen terrein.

‘Als het de koning goeddunkt: laat de koning dan vandaag met Haman naar het feestmaal komen dat ik voor hem heb aangericht’, zegt ze. Bij de tweede uitnodiging zegt ze het heel subtiel net even anders: ‘laat de koning dan met Haman naar het feestmaal komen dat ik voor hen zal aanrichten’. Staan de koning en Haman die tweede keer op het zelfde level? Wat is hier aan de hand?

Ester wil jaloezie bij de koning opwekken zegt een joods commentaar uit de 16e eeuw. Of is het een slimme manier van haar om Haman het idee te geven dat hij het middelpunt is van haar aandacht en ervoor te zorgen dat hij de volgende dag zeker zal komen? In ieder geval begint er iets te schuiven want die nacht kan de koning niet slapen. Heeft hij het gevoel dat er iets niet klopt, dat hij zijn positie verliest ten koste van Haman? Wie zijn hem eigenlijk goed gezind? De Talmoed, een joods commentaar bij de Bijbel, zegt dat Ester met haar uitnodigingen bij de koning bereikt wat zij wilde: het wantrouwen wekken van de koning tegenover Haman. En Haman? Bij hem gebeurt het omgekeerde, hij laat alle sluwigheid varen. Ik ben binnen, denkt hij bij die tweede uitnodiging.

Die nacht laat de koning zich voorlezen uit de annalen van het hof en ontdekt hij iemand die het voor hem heeft opgenomen, Mordechai. Toen die hoorde van een geplande aanslag op de koning heeft hij dat via Ester doorgegeven aan het paleis en zo is de aanslag verijdeld. Maar zijn redder in nood is daarvoor nooit beloond. Daar moet verandering in komen en wel onmiddellijk.

Inzichten kunnen ons soms zomaar toevallen in de nacht. De nacht kan voorbode zijn van het licht, dat uiteindelijk het laatste woord heeft in de Bijbel.

Mordechai weigert te knielen voor de nacht. Voor Haman. Hij blijft rechtop staan. Hij is een kind van het licht. Daar wil hij zijn leven door laten bepalen. Hoe moeilijk ook, want de nacht kan je helemaal in zijn greep krijgen. Daar heeft ieder mens weet van. Ineens stapt er een Haman je leven binnen en gaat het licht uit. Je verliest iemand, jij of een naaste wordt ernstig ziek, een baan of een uitkering komen in gevaar. Je staat op je grondvesten te schudden. Alles wat goed liep lijkt te worden opgeslokt door het duister. Lichtvoetig door het leven gaan, het lijkt onmogelijk, niet langer bereikbaar.

Wat nù volgt is misschien wel het geinigste hoofdstuk in heel de Bijbel. Het is nog nacht, maar Haman staat al in de voorhof van het paleis. Vol van zijn plan om Mordechai op de paal te spietsen die hij voor hem heeft opgericht. Zeven verdiepingen hoog, het getuigt van een idiote grootheidswaanzin. Vanaf dat moment praten de koning en Haman volstrekt langs elkaar heen. De koning wil Mordechai belonen en overladen met eer maar noemt geen naam. Haman denkt dat het over hem gaat. Er ontstaat een bijzonder geinige spraakverwarring terwijl de lezer van alles op de hoogte is. En dan komt ook uit dat Haman inderdaad wel eens belust kan zijn op de troon. Als hij beschrijft hoe je een man moet eren in wie de koning een welgevallen heeft, gebruikt hij zevenmaal het woord koning, het ligt hem voor op de lippen. Hij wil zich kleden in het ambtsgewaad van de koning, rijden op het paard van de koning, wat nog ontbreekt is de vrouw van de koning.

Maar kom daar eens om in de Bijbel, daarin worden keer op keer rollen omgekeerd: Mordechai gaat nu te paard, koninklijk gekleed en Haman gaat te voet, in zak en as. Zijn super ego dat hem heeft verblindt valt in duigen. En nog vóórdat Ester zich heeft uitgesproken tegen Haman, bij het tweede feestmaal, hebben haar woorden van lang geleden al hun uitwerking. Ze heeft toen al een zaadje geplant van bevrijding, van een plantje dat nu dwars door het asfalt heen breekt.

Wat een troost dat middenin dat machtige mannenbolwerk van het paleis een vrouw woont, die hoort bij de God, die zegt: ik zal er zijn voor jou, ik laat jou niet alleen, ik ben erbij in het midden van die nare donkere nacht, ik houd je vast. Een vrouw die hoort bij dat beloofde land waar ballingen thuiskomen, waar de koning niet regeert zonder een profeet, die hem bij de les van vrede en gerechtigheid houdt.

In de Talmoed wordt Ester niet voor niets onder de zeven vrouwelijke profeten gerekend. Haar naam staat fier tussen die van Sara, Mirjam, Debora, Hanna, Abigaïl en Chulda. Haar profetische stem leek verborgen, passend bij de betekenis van haar naam, Ester,

ik ben verborgen. Maar dat gaat niet langer op. Alles keert om. Haman’s positie begint te wankelen. ‘Jij bent begonnen te vallen’, zeggen zijn vrienden en zijn vrouw tegen hem.

Het verhaal van Haman verwijst naar een aantal andere verhalen in de Bijbel. De verhalen over Amalek. Zij maken onderdeel uit van een vertelmotief dat kunstig door het hele Oude Testament is heen geweven.  Haman wordt in het boek Ester voorgesteld als een Agagiet. Dat zegt ons niet gelijk zoveel. Maar koning Agag is de koning, waarmee Saul de strijd aanbindt op bevel van de profeet Samuel. Want Agag is een Amalekiet. En Amalek is niet zomaar een volk. Het staat symbool voor het lafhartig aanvallen van het volk van God, als zij als bevrijde slaven de woestijn doortrekken, op weg naar het beloofde land. Amalek pakt de achterhoede, de mensen die langzamer zijn. De ouden van dagen, de kinderen, de vrouwen, de zieken. Hij heeft het op de weerlozen gemunt. Amalek is de belichaming van het onrecht in de wereld. Alles wat hij doet staat in schril contrast met dat waar de God van Israël voor staat. Die God kiest juist voor de weerlozen, voor de geringe.

Koning Saul liet koning Agag in leven. Het was de profeet Samuel die de volgende dag met hem afrekende. Precies in die ene nacht verwekte Agag Haman zegt de joodse traditie. Zó gaat het kwaad verder en steekt het opnieuw zijn kop op. Dit keer in het Bijbelboek Ester. Maar in dit boek zal er eindelijk definitief met Amalek afgerekend worden. Dankzij Ester. Dat voorspellen nu de vrienden en de vrouw van Haman.

‘Gedenk Amalek’ schreven mensen als graffiti op de muren in de Tweede Wereldoorlog. Als troost, als teken van verzet en met het geloof dat het kwaad opnieuw verslagen zou kunnen worden zoals in het boek Ester.

Er is een stem uit diezelfde tijd die ik hier aan het woord wil laten, die van Etty Hillesum, vernoemd naar haar Bijbelse voorgangster. Ze schreef een dagboek, waarmee ze de humaniteit hoog wilde houden, waarmee ze dwars in ging tegen alles wat dat belaagt. Nu bijna 77 jaar geleden, schreef zij op donderdag 19 februari 1942 het volgende:

‘Het was wel troosteloos op college vanmorgen. En toch was het niet helemaal troosteloos. Er was een lichtpunt. Een kort onverwacht gesprek. Wat is dat toch in de mens om anderen kapot te willen maken, vroeg Jan. Ik zeg: de mensen, ja de mensen, maar bedenk dat je daar zelf ook onder valt.
Die rottigheid van de anderen zit ook in ons. Ik zie geen andere oplossing dan in je eigen centrum in te keren en daar uit te roeien al die rotheid. Ik geloof er niet meer aan dat we in de buitenwereld iets verbeteren kunnen, wat we niet eerst in onszelf moeten verbeteren. En dat lijkt me de enige les van deze oorlog. Dat we geleerd hebben dat we het alleen in onszelf moeten zoeken en nergens anders. En het waren toch géén theorieën die we verkondigden. Onze professoren zitten gevangen, er was weer een vriend van Jan kapot gemaakt en er was te veel om op te noemen en we zeiden tegen elkaar: het is zo goedkoop, die wraakgevoelens. Dat is toch heus een lichtpunt vandaag.’

Twee vrouwen met dezelfde naam, die het licht willen aansteken waar de nacht heeft toegeslagen. En die ons vragen of wij dat licht voor elkaar hoog willen houden.
Tot slot.
In het hele boek Ester komt de naam van God niet voor. Waarom niet?
Nico ter Linden schrijft daarover:

Is het heilige huiver die de verteller ervan weerhoudt
om in tijden van gruwelijke vervolgingen nog over God te spreken?

Wil de verteller dat zijn lezers zelf een antwoord vinden
op de vraag of God in het verhaal voorkomt
of dat alles bij toeval geschiedt?

Hoe dan ook: áls God in dit mensenverhaal aan het werk is,
dan is dat in het verborgene.
En dat is dan ook precies wat de naam Ester betekent: Ik ben verborgen.

Wie is die Ik?

Is het God òf is het Ester? Ook dat blijft verborgen.

Tot zover Nico ter Linden.

Ik of jij.

Eén mens kan de nacht verlichten en verschil maken tussen goed en kwaad.

Jij òf ik. Amen.

vieringen

vieringen

elke zondag om 10.00 uur